Study your flashcards anywhere!

Download the official Cram app for free >

  • Shuffle
    Toggle On
    Toggle Off
  • Alphabetize
    Toggle On
    Toggle Off
  • Front First
    Toggle On
    Toggle Off
  • Both Sides
    Toggle On
    Toggle Off
  • Read
    Toggle On
    Toggle Off
Reading...
Front

How to study your flashcards.

Right/Left arrow keys: Navigate between flashcards.right arrow keyleft arrow key

Up/Down arrow keys: Flip the card between the front and back.down keyup key

H key: Show hint (3rd side).h key

A key: Read text to speech.a key

image

Play button

image

Play button

image

Progress

1/362

Click to flip

362 Cards in this Set

  • Front
  • Back
here
hier
also
ook
what
wat
but
maar
very
heel
black
zwart
zwaar
heavy
wit/witte
white
warm/warme
warm
vies/vieze
dirty
snel/snelle
quick/fast
slecht/slechte
bad
schoon/schone
clean
rood/rode
red
rijk/rijke
rich
paars/paarse
purple
oud/oude
old
oranje
orange
mooi/mooie
beautiful/good looking
licht/lichte
ugly
lelijk/lelijke
ugly
langzaam/langzame
slow
lang/lange
long
koud/koude
cold
kort/korte
short
klein/kleine
small
jong/jonge
young
heet/hete
hot
grijs/grijze
gray
groen/groene
green
groot/grote
big/large
goedkoop/goedkope
cheap
geel/gele
yellow
duur/dure
expensive
dun/dunne
thin
dik/dikke
thick
bruin/bruine
brown
breed/brede
wide
blauw
blue
arm
poor
de vrouw/de vrouwen
woman/women
het vliegtuig/vliegtuigen
airplane
de trein/treinen
the train
de sok/sokken
the sock
de sleutel/sleutels
key/keys
de schoen/schoenen
shoe
het potlood/potloden
the pencil
de persoon/personen
person
de pen/pennen
the pen
de pagina/pagina's
page
de oefening/oefeningen
the exercise
het meisje/meisjes
the girl
de map/mappen
the folder
de kleur/kleuren
the color
de klok/klokken
the clock
het kind/de kinderen
the child
de jongen/jongens
the boy
het huis/huizen
the house
de fiets/fietsen
bicycle
de doos/dozen
the box
het ding/dingen
the thing
de bus/bussen
the bus
de boot/boten
the boot
het bed/bedden
the bed
be bladzijde/bladzijden
the page
de bal/ballen
the ball
de auto/auto's
the car
de tas/tassen
cup
de groep/groepen
band
de radio/radios
radio
muziek spelen
to play music
de piano
piano
het lied/liederen
song
zingen
to sing
dansen
to dance
de ritme/ritmes
the rhythm
de melodie/melodiëen
the melody
de harmonie/harmoniëen
the harmony
de dansvoorstelling/
(voorstelling)
the dance performance
het consert / conserten

or

het optreden / optredens
the concert
de symfonie / symfoniëen
the symphony
het drumstel/drumstellen
the drums
Who are you?
Wie ben jij?
I am Hans
Ik ben Hans
Where are you from?
Waar kom je vandaan?
I am (come) from the Netherlands
Ik kom uit Nederland
Where do you live?
Warr woon je
I live in Amsterdam
Ik woon in Amsterdam
Who are you?
Wie bent u?
I am Mr. De Jong
Ik ben meneer De Jong
Where are you from?
Warr komt u vandaan?
I am (come) from Belgium
Ik kom uit België
Where do you live?
Waar woont u?
I live in Antwerp
Ik woon in Antwerpen
Who
Wie
What
Wat
Where
Waar
Who is Martha Stewart?
Wie is Martha Stewart?
Who is the president of the United States?
Wie is de president van de Verenigde Staten?
What is the Space Needle?
Wat is de Space Needle?
Where is (lies) Seattle?
Waar ligt Seattle?
Where is the White House?
Waar is het Witte Huis?
When is the party?
Wanneer is het feest?
When is your birthday?
Wanneer ben je jarig?
Why don't you say anything?
Waarom zeg je niets?
Why are you selling your car?
Waarom verkoop je je auto?
How do you say this in Dutch?
Hoe zeg je dit in het Nederlands?
How does he do that?
Hoe doet hij dat?
How many books do you have?
Hoeveel boeken heb je?
How much sugar do you want?
Hoeveel suiker wil je?
Which house is the most beautiful?
Welk huis is het mooist?
Which apples do you want to buy?
Welke appels wil je kopen?
I love you but you don't love me
Ik hou van je, maar jij houdt niet van mij
How are you?
Hoe gaat het met je?
Fine, and how are you?
Goed, en met jou?
We're going home
We gaan naar huis
But we're not
Maar wij niet
what is your name?
Hoe heet u?
My name is Michael Jones
mijn naam is michael jones
my first name is Michael
Mijn voornaam is Michael
My last name is Jones
Mijn achternaam is Jones
How do you spell that?
Hoe spel je dat?
What country are you from?
Uit welk land komt u?
I am (come) from the United States
Ik kom uit de Verenigde Staten
Where do you live in the USA?
Waar woont u in the V.S.?
In Seattle
IN Seattle
Where is (lies) that?
Waar ligt dat?
the surname
de achternaam
the village
het dorp (dorpen)
the canal/moat
de gracht (grachten)
The capital
de hoofstad
The country
het land (landen)
The maiden name
de meisjesnaam (meisjesnamen)
the name
de naam (namen)
the number
het nummer (nummers)
the place
de plaats (plaatsen)
the square
het plein (pleinen)
the province
het provincie (provincies)
the state
de staat 9staten)
the street
de straat (straten)
the first name
de voornaam (voornamen)
the road
de weg (wegen)
The United States
de Verenigde Staten
Canada
Canada
France
Frankrijk
Germany
Duitsland
Netherlands
Netherland
Norway
Noorwegen
Goodmorning, Mr. De Vries
Good morning, Mr. De Vries
How do you do?
Hoe maakt u het?
Excellent, and you?
Uitstekend, en u?
Fine
Prima
Hi
Hoi
How are you (How goes it?)
Hoe gaat het ermee?
(I'm) fine and (how are) you?
Goed, en met jou?
(I'm) fine too
Ook goed
Hello
Hallo
How are things? (How is it with you?)
Hoe is het met jullie?
(We're) fine, and (how are) you?
Prima, en met jullie
Not bad
Niet slecht
Good morning
Goedemorgen
Good afternoon
Goedemiddag
Good evening
Goedenavond
Hello
Dag
Hi
Hoi
Everything Ok?
Alles kits?
Everything alright?
Alles goed?
How is it?
Hoe is 't?
How is it? *How is it with it)?
Hoe is 't ermee?
How are things?
Hoe gaat het?
How are things (How goes it with it?)
Hoe gaat het ermee?
How do you do? (How goes it with you?)
Hoe gaat het met u?
How are you doing?
Hoe maakt u het?
Perfect!
Perfect!
Excellent
Uitstekend!
Couldn't be better
Kan niet beter!
Fine
Prima
Very well
Heel goed
Well
Goed
I can't complain
Ik mag niet klagen
Not bad
Niet slecht
So so (could be better)
Het gaat wel
Not too great
Niet al te best
Fairly badly
Matig
Bad
Slecht
Miserably
Beroerd
Goodbye
Tot ziens
See you later
Tot straks (Tot zo)
bye
dag
The greetings
De groeten!
Little greetings
Groetjes
Bye
Doeg
See ya
Doei
Hello
Dag
Hi
Hoi
Everything Ok?
Alles kits?
Everything alright?
Alles goed?
How is it?
Hoe is 't?
How is it? *How is it with it)?
Hoe is 't ermee?
How are things?
Hoe gaat het?
How are things (How goes it with it?)
Hoe gaat het ermee?
How do you do? (How goes it with you?)
Hoe gaat het met u?
How are you doing?
Hoe maakt u het?
Perfect!
Perfect!
Excellent
Uitstekend!
Couldn't be better
Kan niet beter!
Fine
Prima
Very well
Heel goed
I can't complain
Ik mag niet klagen
to sit
zitten
to make
maken
to see
zien
to hear
horen
to sleep
slapen
to steal
stelen
to lend/borrow
lenen
Not bad
Niet slecht
So so (could be better)
Het gaat wel
Not too great
Niet al te best
Fairly badly
Matig
Bad
Slecht
Miserably
Beroerd
Goodbye
Tot ziens
See you later
Tot straks
Bye
Dag
The greetings!
De groeten
Little greetings!
Groetjes
Bye
Doeg
See ya
Doei
to be
zijn
to go
gaan
to stand
staan
to strike
slaan
to do
doen
to see
zien
to knock
kloppen
to know
kennen
to sit
zitten
to be called
heten
to pray
bidden
to travel
reizen
to blow
blazen
to stay
blijven
to taste
proeven
to live
leven
to run
lopen
to turn
draaien
to shine
schijnen
to eat
eten
to bicycle
fietsen
to stand
staan
to sell
verkopen
to have
hebben
May I introduce (someone) to you?
Mag ik je even voorstellen?
This is [name]
Dit is [naam]
How do you do?
Hoe maakt u het?
Hello, I'm ... [name]
Hallo, ik ben [naam]
Pleased to meet you
Aangenaam kennis (met u) te maken
the apple (s)
de appel (appels)
the evening (s)
de avond (avonden)
the axe(s)
de bijl (bijlen)
the forest (s)
het bos (bossen)
the day(s)
de dag (dagen)
the door (s)
de deur (deuren)
the greeting(s)
de groet (groeten)
the shed (s)
het hok (hokken)
the hotel(s)
het hotel (hotels)
the wood
het hout
the door
de deur (deuren)
the greeting (s)
de groet (groeten)
the shed (s)
het hok (de hokken)
the hotel (s)
het hotel (de hotels)
het hout
the wood
the hut, the cabins
de hut (de hutten)
de kamer (kamers)
the room (rooms)
the coffee
de koffie
the cut (s)
het kopje (kopjes)
the song (s)
het lied (liederen)
the man (men)
de man (de mannen)
the afternoon
de middag (de middagen)
the mother (s)
de moeder (moeders)
the morning
de morgen (morgens)
the name (s)
de naam (namen)
the night
de nacht (nachten)
the (early) morning (s)
de ochtend (de ochtenden)
the pear (s)
de peer (peren)
the window (windows)
het raam (de ramen)
the giant (giants)
de reus (de reuzen)
the tea
de thee
the father (fathers)
de vader (de vaders)
the woman/wife
de vrouw (vrouwen)
to shiver
beven
to bite
bijten
to stay
blijven
to dance
dansen
to do
doen
to drink
drinken
to eat
eten
to go
gaan
to give
geven
to yell
gillen
to greet
groeten
to chop
hakken
to hate
haten
to be called
heten
to run
hollen
to hear
horen
to tremble
huiveren
to knock
kloppen
to come
komen
to borrow/lend
lenen
to live
leven
to read
lezen
to walk
lopen
to make
maken
to have to(must)
moeten
to take
nemen
to take/grab
pakken
to taste
proeven
to travel
reizen
to run
rennen
to shiver
rillen
to shout
roepen
to shout
schreeuwen
to strike/to beat
slaan
to sleep
slapen
to close
sluiten
to stand
staan
to steal
stelen
to lift
tillen
to find
vinden
to feel
voelen
to introduce (someone), to suggest (something)
voorstellen
to want
willen
to put
zetten
to see
zien
to be
zijn
to sing
zingen
to sit
zitten
pleasant
aangenaam (e)
good
goed(e)
nice
leuk (leuke)
bad
slecht(e)
excellent
uitstekend(e)
therefore
daarom
then
dan
and
en
something/anything
iets
sir/mister
meneer
madam/miss/misses
mevrouw
to
naar
home
naar huis
nothing
niets
now
nu
of
or
also
ook
fine
prima
then
toen
a lot of
veel
have fun
veel plezier
of
van
goodbye
tot ziens