• Shuffle
    Toggle On
    Toggle Off
  • Alphabetize
    Toggle On
    Toggle Off
  • Front First
    Toggle On
    Toggle Off
  • Both Sides
    Toggle On
    Toggle Off
  • Read
    Toggle On
    Toggle Off
Reading...
Front

How to study your flashcards.

Right/Left arrow keys: Navigate between flashcards.right arrow keyleft arrow key

Up/Down arrow keys: Flip the card between the front and back.down keyup key

H key: Show hint (3rd side).h key

A key: Read text to speech.a key

image

Play button

image

Play button

image

Progress

1/39

Click to flip

39 Cards in this Set

  • Front
  • Back
What will the weather be like tomorrow?
Wat voor weer wordt het morgen?
Do you think it will rain this afternoon?
Denk jij dat het vanmiddag gaat regenen?
Will the weather be fine this weekend?
Wordt het mooi weer dit weekend?
Do you think there will be a thunderstorm this weekend?
Denk jij dat het morgen gaat onweren?
It will snow in Scotland.
Het gaat sneeuwen in Schotland.
It won't hail in Wales.
Het gaat niet hagelen in Wales.
It will be ten degrees below zero on Friday.
Het wordt vrijdag tien graden onder nul.
It won't be twenty degrees centigrade on the beach.
Het wordt geen 20 graden Celsius op het strand.
windy
winderig
hot
heet
sunny
zonnig
bright
helder
chilly
kil, frisjes
cold
koud
cloudy
bewolkt
There will be a strong wind the day after tomorrow.
Er staat overmorgen een harde wind.
There won't be frost on Sunday.
Het gaat zondag niet vriezen.
rain
regen
snow
sneeuw
mist
mist
sunny spells
opklaringen
hail
hagel
thunderstorm
onweersbui
Look, it's going to rain.
Kijk, het gaat regenen.
I think it's not going to clear up.
Ik denk dat het niet gaat opklaren.
I will become famous.
Ik word beroemd.
Next year I 'll do something no one has ever done before.
Volgend jaar ga ik iets doen wat nog nooit iemand gedaan heeft.
I'm going to do something special on New Year's Eve.
Ik ga iets speciaals doen op oudejaarsavond.
You're going to see a film tomorrow.
Jullie gaan morgen een film kijken.
They're going to listen to a concert in a minute.
Zij gaan straks naar een concert luisteren.
Tomorrow he's having a party.
Morgen heeft hij een feestje.
This summer she's moving to Amsterdam.
Zij verhuist naar Amsterdam deze zomer.
In this zoo they feed the lions at three.
In deze dierentuin voeren ze de leeuwen om drie uur.
In this zoo they clean the cages at ten o'clock.
In deze dierentuin maken ze om 10 uur de kooien schoon.
The shop opens early in the morning.
De winkel gaat vroeg in de morgen open.
The park closes at ten o'clock.
Het park sluit om tien uur.
Her train arrives at 5.20.
Haar trein komt om twintig over vijf aan.
The next bus leaves in ten minutes.
De volgende bus vertrekt over tien minuten.
Our plane leaves at 5.20.
Ons vliegtuig vertrekt over tien minuten.