• Shuffle
    Toggle On
    Toggle Off
  • Alphabetize
    Toggle On
    Toggle Off
  • Front First
    Toggle On
    Toggle Off
  • Both Sides
    Toggle On
    Toggle Off
  • Read
    Toggle On
    Toggle Off
Reading...
Front

Card Range To Study

through

image

Play button

image

Play button

image

Progress

1/32

Click to flip

Use LEFT and RIGHT arrow keys to navigate between flashcards;

Use UP and DOWN arrow keys to flip the card;

H to show hint;

A reads text to speech;

32 Cards in this Set

  • Front
  • Back
Hoe kom ik bij jouw huis?
How do I get to your house?
Sorry. Kunt u mij alstublieft vertellen waar nummer vier is?
Excuse me, please. Could you please tell me where number four is?
Zou je mij kunnen vertellen hoe ik bij de badkamer kom?
Could you tell me how to get to the bathroom?
Waar is de keuken?
Where is the kitchen?
Neem de tweede straat rechts.
Take the second street on your right.
Loop rechtdoor tot je het park ziet.
Walk straight on until you see the park.
Mijn huis is naast het park.
My house is next to the park.
Het is deze kant op.
It’s this way.
Het is die kant op.
It’s that way.
Het is achter dat huis.
It’s behind that house.
Het is voor dat huis.
It’s in front of that house.
Mijn slaapkamer is bovenaan de trap links.
My bedroom is up the stairs on the left.
Wil je een glas water?
Would you like a glass of water?
Kan ik je iets te drinken of eten aanbieden?
Can I offer you anything to drink or eat?
Wil je iets eten?
Would you like anything to eat?
Neem nog een koekje.
Please help yourself to another biscuit.
Ja graag. Ik wil graag een kopje thee.
Yes, please. I would like a cup of tea.
Nee, bedankt. Ik hoef even niks.
No, thanks. I’m fine for now.
Dat zou fijn zijn, bedankt.
That would be nice, thank you.
Mag ik alstublieft een glaasje water?
May I have a glass of water, please?
Alsjeblieft. / Alstublieft. (als je iets aangeeft)
Here you are.
Heb je een leuke vakantie gehad?
Did you enjoy your holiday?
Waar ben je vorig jaar op vakantie geweest?
Where did you go on holiday last year?
Hoe ben je erheen gegaan?
How did you get there?
Wat was je favoriete onderdeel van de vakantie?
What was your favourite part of the holiday?
Het was geweldig.
I had a great time.
Het was niet echt leuk.
I didn’t really enjoy it.
Ik ben in Nieuw-Zeeland geweest.
I went to New Zealand.
We zijn met de bus gegaan.
We went by bus.
We zijn met de auto gegaan.
We went by car.
We zijn met het vliegtuig gegaan.
We went by plane.
Mijn favoriete onderdeel was het kamperen in de wildernis.
My favourite part was when we camped in the wild.