Study your flashcards anywhere!

Download the official Cram app for free >

  • Shuffle
    Toggle On
    Toggle Off
  • Alphabetize
    Toggle On
    Toggle Off
  • Front First
    Toggle On
    Toggle Off
  • Both Sides
    Toggle On
    Toggle Off
  • Read
    Toggle On
    Toggle Off
Reading...
Front

How to study your flashcards.

Right/Left arrow keys: Navigate between flashcards.right arrow keyleft arrow key

Up/Down arrow keys: Flip the card between the front and back.down keyup key

H key: Show hint (3rd side).h key

A key: Read text to speech.a key

image

Play button

image

Play button

image

Progress

1/120

Click to flip

120 Cards in this Set

  • Front
  • Back
Bent u mijnheer Pons
Es usted el senor Pons?
aangenaam
1. mucho gusto
2. encantado/-a
Hoe gaat het met u
Cómo está usted?
niet(waar), toch?
verdad?
no?
jij bent
tu eres
jullie zijn
vosotros sois
waar komt u vandaan?
de dónde es usted?
u (meervoud)
ustedes
wij zijn
somos
hoe gaat het met je?
cómo estas?
gaat wel
regular
verschikkelijk
fatal!
hoe heten deze steden in het Spaans?
Cómo se llaman estas ciudades en espanol?
met
con
accent
el accento
zonder
sin
alfabet
el alfabeto
kleine letter m
m minúscula
hoofdletter m
m mayúscula
trema
la diéresis
Latijns-America
Latinoamérica
reservering
la reserva
eenpersoonskamer
la habitación individual
tweepersoonskamer
la habitación doble
bad
el bano
oktober
octubre
naam
el nombre
achternaam
el appellido
wat doet u (voor werk)?
Qué hace usted
(hacer)
personeelsadvertentie
la oferta de empleo
hij/zij zoekt
busca
(buscar)
verpleegkundige
al enfermo, la elferma
onderneming
la empresa
ervaring
la experiencia
sturen, zenden
enviar
c.v.
el currículum vitae
receptioniste
el/la recepcionista
contact opnemen met
contactar
hij/zij biedt aan
ofrese
(ofresar)
bank
el banco
stage(plaats)
las prácticas
student(e)
el/la estudiante
voor 3 maanden
por 3 meses
maand
el mes
winkelcentrum
el centro comercial
administratief medewerkster
el empleado administrativo
la empleoda administrativa
computerkennis op gebruikersniveau
los conocimientos de informática a nivel usuario
kennis
los conocimientos
informática
informatica
postbus
el apartado de Correos
multinationaal
multinacional
programmeur
el programador
la programadora
leeftijd
la edad
tussen
entre
jaar
el ano
fabriek
la fábrica
elektrisch
eléctrico/a
commercieel technisch medewerker
el tecnico commercial
la tecnica cemmercial
minstens 2 jaar ervaring
experiencia mínima 2 anos
ingenieur
el ingenerio
la ingeneria
geïnteresseerde
el interesado
la intersado
schrijven (naar)
escribar (a)
kliniek
el centro médico
arts
el médico
la médica
1. specialiteit
2. vakgebied
la especialidad
radiologie
la radiología
per
por
reisbureau
la agencia de viajes
secretaris/secretaresse
el secretario
la secretaria
Duits
el alemán
school
el colegio
bekijken, kijken naar
mirar
klas
la clase
klasgenoot
el companero
la companera
al, reeds
ya
wat doen ze nu
Qué hacen ahora?
doen
hacer
(yo hago)
nou...
pues
werken
trabajar
hier: middelbare school
el Instituto
(hij/zij) leeft, woont
vive
(vivir)
hier
aqui
maar
pero
hij/zij heeft geen werk
no tiene trabajo
(tener)
werk
el trabajo
wat jammer
Qué lástima!
nog
todavía
chef, hoofd
el jefe
krediteafdeling
el departamento de créditos
krediet
ek crédito
wat goed, wat leuk
qué bien!
mijn ex-vriendin
mi ex-novia
wat doet hij/zij voor werk
Qúé hace?
huisvrouw
el ama (v) de casa
hij/zij heeft 3 studerende kinderen.
Tiene tres hijos que estudian en la Universidad.
kinderen
los hijos
leren, studeren
estudiar
Wat zeg je me nu? Ga weg!
No me digas!
hij/zij is getrouwd (met)
está casado (con)
Colombiaan(se)
el colombiano
la colombiana
vul aan
complete
(completar)
zoek
busce
(buscar)
de ontbrekende vormen
las formas que faltan
Welke talen spreken ze?
Qué lenguas hablan?
een beetje Frans
un poco francés
wat doe je voor werk?
Qué haces?
doen, maken
hacer
(yo hago)
verantwoordelijk zijn (voor)
ser respondable (de)
medewerker zijn (bij)
ser empleado/-a (de)
ontmoeting
el encuentro
dierenarts
el veterinario
la veterinaria
Nederlander
el holandés
la holandésa
leraar
el profesor
la profesora
taxichauffeur
el/la taxista
ik kom uit...
soy de...
(ser)
mijn beroep
mi profesión (v)
monteur
el mecánico
la mecánica
kok
el cocinero
la cocinera
ik leef, woon
vivo
(vivir)
ik werk
trabajo
(trabajar)