Study your flashcards anywhere!

Download the official Cram app for free >

  • Shuffle
    Toggle On
    Toggle Off
  • Alphabetize
    Toggle On
    Toggle Off
  • Front First
    Toggle On
    Toggle Off
  • Both Sides
    Toggle On
    Toggle Off
  • Read
    Toggle On
    Toggle Off
Reading...
Front

How to study your flashcards.

Right/Left arrow keys: Navigate between flashcards.right arrow keyleft arrow key

Up/Down arrow keys: Flip the card between the front and back.down keyup key

H key: Show hint (3rd side).h key

A key: Read text to speech.a key

image

Play button

image

Play button

image

Progress

1/389

Click to flip

389 Cards in this Set

  • Front
  • Back
(a) few
(een) paar
(in)dependent
(on)afhankelijk
(on) Mondays
's maandags
(the art of) painting
de schilderkunst
(the) half
de helft
(the) politics
de politiek
(to go) along, with
mee(gaan)
(to play) golf
golf(en)
(to play) tennis
tennis(sen)
(un)sportsmanlike, (un)fair
(on)sportief
(you) hear!
hoor!
a (whole) lot
een heleboel
actually
eigenlijk
adult(s)
de volwassene(n)
afternoon
middag
ago
geleden
all (of them/ it)
allemaal
all sorts of
allerlei
allready
reeds
almost, nearly
bijna
already
al
also, too
ook
always
altijd
America
Amerika
and
en
another
een ander(e) / nog een
at
bij
at home
thuis
at last
eindelijk
back
terug
bad, poor(ly)
slecht
beautiful
mooi
beautiful
prachtig
Belgium
Belgie
below
beneden
boring
saai
brown
bruin
but
maar
Catholic
Katholiek
certainly
zeker
classic
klassiek
complicated
ingewikkeld
cousin(female), niece
de nicht
cute, "cool"
leuk
dear
lief
delicious
heerlijk
different
anders
different
verschillend
domestic
huishoudelijk
each
elk(e)
eagerly, with pleasure
graag
economically
economisch
electronical(ly)
elektronisch
elementary (lower) education
basisonderwijs
elementary (lower) education
lager (onderwijs)
English
Engels
especially
vooral
Europe
Europa
even
zelfs
evening
avond
everybody
iedereen
exciting, gripping
spannend
far
ver
first
eerst
Flemish
Vlaams
following, next
volgend(e)
for example
bijvoorbeeld
for no (apparent) reason
zomaar
forming, developing, educating
vormend
fortunately, luckily, happy
gelukkig
France
Frankrijk
free
vrij
French
Frans
fresh
vers
Friday
vrijdag
friendly, nice
aardig
from
vandaan
full(whole)weat
volkoren
further
verder
general
algemeen
German
Duits
Germany
Duitsland
glad(ly), happy (happily)
blij
gold
goud
good day, hi, goodbye
goeiedag
good, tasty, nice
lekker
good-looking
knap
grandparents
grootouders
healthy
gezond
here
hier
higher (tertiary) education
hoger ( " )
Hinduism
hindoeisme
how
hoe
How (green)!
Wat (groen)!
how are you?
hoe gaat het?
How good! Smart!
Wat goed, zeg!
I am sorry, I regret it
het spijt me
I think so
Ik denk het
in general
in het algemeen
in the past
vroeger
in turn
om de beurt
Jewish
joods
just like
net als
just, a minute
even
just, a minute ago
zojuist
kilo(gram)
de kilo
last week
vorige week
last, final
laatste
little, few
weinig
married
getrouwd
middle (secondary) education
middelbaar( " )
military
militair
mister
meneer
modern
modern
Mohammedan
mohammedaans
Monday
maandag
Mrs. madam
mevrouw
much/many
veel
must, have to
moeten
namely
namelijk
naturally, ofcourse
natuurlijk
never
nooit
never (yet)
nog nooit
next year
volgend jaar
no
nee
no, not a, not any
geen
nobody
niemand
not any more
niet meer
not at all
helemaal niet
not bad, reasonable good
het gaat wel
not yet
nog niet
now
nu
now and then
af en toe
of, from
van
often
vaak/dikwijls
old
oud
on time
op tijd
or
of
outside the house
buitenshuis
own
eigen
people
mensen
perhaps, maybe
misschien
please, her you are
alstublieft
popular
populair
pork
het varkensvlees
pound
het pond
previous
vorig(e)
probably
waarschijnlijk
prosperous
welvarend
Protestant
Protestants
public
openbaar
quite, rather
tamelijk
rather
liever
real(ly)
echt
rich, wealthy, empire
rijk
satisfied, happy
tevreden
Saturday
zaterdag
sausage
de worst
science
wetenschap
scientific
wetenschappelijk
scores (tens)
tientallen
shopping, ro run errands
boodschappen doen
short
kort
so much, many
zoveel
somebody
iemand
something like
zoiets als
sometimes
soms
soon, fast, quickly
gauw
specialized
gespecialiseerd
steak
de biefstuk
still, yet
nog
Sundag
zondag
Switerland
Zwiterland
technical
technisch
terrible (ly)
vreselijk
that is right!
dat klopt!
the (high school) teacher
de leraar
the (little) sister
het zusje
the (school) subject
het vak
the aeroplane, plame
het vliegtuig
the apparatus
het apparaat
the arrival
de aankomst
the atlas
de atlas
the aunt
de tante
the author, writer
de schrijver
the bank note, bill
het briefje, biljet
the bird
de vogel
the birdie
de pluim
the body
het lichaam
the boy(s)
de jongen(s)
the brother(s)
de broer(s)
the brother-in-law
de zwager
the butcher
de slager
the butter
de boter
the car
de auto
the car(t)
de kar
the century, age
de eeuw
the character
het karakter
the cheese
de kaas
the child
het kind
the city
de stad
the class
de klas
the coffee
de koffie
the communication
de communicatie
the company
het bedrijf
the condition
de voorwaarde
the confederation
het bondgenootschap
the conservatory
het conservatorium
the conversation
het gesprek
the correspondent, agent
de correspondent
the cousin(male), nephew
de neef
the custom
de gewoonte
the customs
de douane
the dairy product
het zuivelprodukt
the driver's license
het rijbewijs
the education
het onderwijs
the egg
het ei
the empire
het rijk
the enclosing dam, dyke
de afsluitdijk
the engineer
de ingenieur
the examination, exams
het examen
the exception
de uitzondering
the exposition
de expositie
the factory
de fabriek
the familie
de familie
the farm
de boerderij
the fatherland
het vaderland
the Fleming
de Vlaming
the flight
de vlucht
the folly
de zotheid
the food, meal
het eten
the foreigner
de buitenlander
the freedom
de vrijheid
the fruit
het fruit
the girl
het meisje
the greeting
de groet
the hall
de zaal
the handle, stem, stalk
de steel
the homework
het huiswerk
the hour
het uur
the house
het huis
the indepedence
de zelfstandigheid
the industry
de industrie
the inhabitant
de inwoner
the journey, trip
de reis
the kilometer
de kilometer
the language
de taal
the lesson
de les
the letter
de brief
the man, husband
de man
the match
de wedstrijd
the mill
de molen
the motherland
het moederland
the motto, logo
de spreuk
the music
de muziek
the name
de naam
the nation
het volk
the office
het kantoor
the parents
de ouders
the part
het deel
the period, while
de poos
the philosopher
de filosoof
the piano
de piano
the plan
het plan
the playwright
de dramaturg
the poet
de dichter
the potatoes
de aardappelen
the praise
de lof
the product
het produkt
the province
de provincie
the representative
de vertegenwoordiger
the salary
het salaris
the same
het(de)zelfde
the saucer
de schotel
the school
de school
the sea level (mirror)
de zeespiegel
the ship(s)
het schip, (schepen)
the shop, store
de winkel
the sister-in-law
de schoonzuster
the son
de zoon
the spirit
de geest
the stick
de stok
the street train
de tram
the suitcase
de koffer
the teacher
de onderwijzer
the tennis court
de tennisbaan
the time
de keer
the uncle
de oom
the United States
de Verenigde Staten
the vegetables
de groente
the week
de week
the wheat
het koren
the woman, wife
de vrouw
the world
de wereld
the young people
de jongelui
then (past tense)
toen
there
daar
this afternoon
vanmiddag
this month
deze maand
this morning
vanmorgen
thousand(s)
duizend(en)
Thursday
donderdag
thus, therefore, so
dus
till, untill
tot
to (not) need to (always negative)
(niet) hoeven
to admit, to recognize
erkennen
to arrive
arriveren
to attend school, to be in school
op school zitten
to be (in a book)
(in een boek) staan
to be about, deal with
gaan over
to be busy
het druk hebben
to be called
heten
to beat, win
winnen (van)
to become
worden
to begin
beginnen
to bike
fietsen
to break
breken
to call
noemen
to carry
dragen
to check (out)
nakijken
to comprehend, understand
begrijpen
to cook, boil
koken
to correspond
corresponderen
to do
doen
to do business
zaken doen
to draw
tekenen
to explain
uitleggen
to export
exporteren
to export
uitvoeren
to fight
vechten
to find it hard
moeilijk vinden
to fit
passen
to fly
vliegen
to get up
opstaan
to go shopping
winkelen
to greet
groeten
to grind
malen
to hope
hopen
to know
weten
to lead
leiden
to learn, teach, study
leren
to lecture
doceren
to like
houden van
to look like, appear
er uitzien
to mean, intend
bedoelen
to meet
ontmoeten
to notice, to find out
merken
to play
spelen
to pratice, train
oefenen
to pump
pompen
to put (a question)
(een vraag) stellen
to put (eg. a question)
stellen
to recognize
herkennen
to repeat
herhalen
to rule
regeren
to sail
varen
to shut out, to close off
afsluiten
to speak
spreken
to throw
gooien
to use
gebruiken
to, against
tegen
today
vandaag
together
samen
tonight
vannacht
too
te
too bad, bad luck
vervelend
true
waar
Tuesday
dinsdag
usually
gewoonlijk
usually
meestal
very
erg
very
heel/erg
very (newest)
aller(nieuwste)
Wednesday
woensdag
well, good
goed
well-known
bekend
what
wat
What is your name?
Hoe heet je?
when
wanneer
where
waar
which
welke
white
wit
who
wie
why
waarom
with
met
world famous
wereldberoemd
yes
ja
yesterday
gisteren
yet, still
toch