Study your flashcards anywhere!

Download the official Cram app for free >

  • Shuffle
    Toggle On
    Toggle Off
  • Alphabetize
    Toggle On
    Toggle Off
  • Front First
    Toggle On
    Toggle Off
  • Both Sides
    Toggle On
    Toggle Off
  • Read
    Toggle On
    Toggle Off
Reading...
Front

How to study your flashcards.

Right/Left arrow keys: Navigate between flashcards.right arrow keyleft arrow key

Up/Down arrow keys: Flip the card between the front and back.down keyup key

H key: Show hint (3rd side).h key

A key: Read text to speech.a key

image

Play button

image

Play button

image

Progress

1/662

Click to flip

662 Cards in this Set

  • Front
  • Back
aan…doen
to practise, to play (sport)
aangenaam
nice to meet you
aanvullen
to fill in
afdeling (de)
the ward, the section
Amerika
America
antword (het)
the answer
antwoorden op
to answer
basketbal (het)
basket-ball
beantwoorden
to answer
bekend
well-known
beleefd
polite
België
Belgium
beluisteren
to listen to
beroep (het)
the profession
bezoek
the visit
blij
happy, glad
boek (het)
book
boksen (het)
boxing
brandweerman (de)
the fireman
broer (de)
the brother
burgerlijk
civil
café
the pub
dag!
hello!
dag (de)
the day
dame (de)
the lady
Dutch
English
1 zich voorstellen: ik stel me voor
To present/introduce oneself: I introduce myself
2 kennismaken aangename
To meet, pleased to meet you.
kennismaking - aangenaam
Introduction
3 Hoe gaat he? met je/jou/u?
How are you?
4 Hoe maak je het? Hoe maakt u het?
How does it make with you? / How are you?
5 meneer / mevrouw
Sir/ madam
6 goedemorgen (goeiemorgen)
Good morning, etc
goedenamiddag (goeienamiddag)
Good afternoon
goedenavond (goeienavond)
Good evening
dag - hallo
Good day - Hello
7 nieuw - opnieuw
New, another time
8 wie? vb: Wie ben je?
Who?, Who are you?
wat ? vb: Wat is je naam?
What is your name?
waar? vb: Waar woon je?
Where do you live?
wanneer? vb: Wanneer is de les?
When is the lesson?
hoe ? vb: Hoe heet je?
Who are you called?
waar ? vb. Waar woon je?
Where do you live?
waar . vandaan / naartoe?
Where from? Where to?
Waar kom je vandaan?
Where do you come from?
Waar ga je naartoe?
Where are you going to?
9 mijn voornaam / mijn (familie)naam is
My forename is/my family name is..
10 Ik woon in…
I live in…
11 Ik werk in...
I work in…
12 Ik ben (niet) getrouwd / gehuwd…
I am (not) married….
Ik ben gescheiden
I am divorced
13 Ik heb één (twee, drie ...) kind(eren)
I have 1,2,3 children
ik heb geen kinderen
I have no children
14 de jongen(s)
the boys
15 het meisje(s)
the girls
16 de vriend(en) - de vriendin(nen)
boy/girl friend(s)
17 mijn hobby is… mijn hobby's zijn
My hobby is … hobbies are
Ik speel graag…..
I enjoy playing…
sporten = Ik doe aan sport
I play sport
- voetbal spelen = voetballen
play football
- lezen
to read
muziek spelen, maken
play/make music
muziek betuisteren(luisteren naar)
listen to music
knutselen
mess/play around with
dansen
to dance
tv-kijken
to watch TV
kaarten
To kart
fietsen
to cycle
rennen (lopen)
to run
tennissen
to play tennis
18 de familie:
the family
de man / echtgenoot
husband
de vrouw / echtgenote
wife
het kind (de kinderen)
children
de zoon (zoons/zonen)
son
de dochter(s)
daughter
de moeder(s) / de vader(s)
mother/father
de ouder(s)
parents
de broer(s) / de zus(sen)
brother/sister
de tante(s) / de oom(s)
aunt/uncle
de nicht(en) / de neef (neven)
niece/nephew
de grootmoeder(s) de oma('s)
grandmother
de grootvader(s) de opa('s)
grandfather
de grootouder(s)
grandparents
de kleinzoon(s) / de kleindochter(s)
grandson/daughter
het kleinkind (de kleinkinderen)
grandchildren
de schoonmoeder(s) / de schoonvader(s)
mother/father in law
de schoonouder(s)
parents in law
de schoonbroer(s) / de schoonzus(sen)
brother/sister in law
de schoonzoon(s) / de schoondochter(s)
son/daughter in law
19 de kleuren:
colours
wit - geel - oranje - beige
white, yellow, orange, beige
(licht)(donker)groen - (licht)(donker)blauw
light/dark green….blue
(licht)(donker)bruin - zwart - roze
light/dark brown, black, pink
rood - paars - violet - grijs
red, purple, violet, grey
20 het land (de landen):
the country, the countries
België, Nederland, Duitsland, Frankrijk,
Belgium, Netherlands, Germany, France
Luxemburg, Groot-Brittannië, Spanje, Italië
Luxembourg, Great Britian, Spain, Italy
de Verenigde Staten van Amerika (de V.S.)
United States of Amerika
21 hebben
to have
zijn
to be
werken
to work
gebruiken
to use
tekenen
to draw/sign
bedienen
to serve
verzorgen
to look after
geven
to give
regelen
to control, regulate,
wonen
to live
22. het gezicht:
the face
het oog (de oogen)
eye
het oor (de oren )
ear
de neus
nose
de mond
mouth
het haar: blond, bruin, rood, zwart, grijs
hair - blond, bruin, red, black, grey
krullend, steil, gegolfd
curly, straight (hair), wavy
met een paardenstaart, met een knot
with ponytail, with a knot
kort, halflang, lang
short, halflong, long
de wenkbrauw (en)
eyebrow(s)
de rimpel(s)
wrinkle(s)
de snor de baard
moustache, beard
de oorring
ear-ring
de bril de (contact) lens (lenzen)
glasses, contact lenes
23 het beroep (de beroepen):
occupation, profession
de secretaresse(n/s) -.
secretary
de dokter (s)
doctor
de brandweerman
fireman
de brandweermannen de brandweerlui
firemen, firepeople
de tekenaar(s)
draughtsman/draftsman
de onderwijzer(s) de onderwijzeres(sen)
teacher/female teacher(s)
de leraar(s) de lerares(sen)
teacher/female teacher(s)
de kok(s)
cook
de metselaar(s)
bricklayer
de kelner(s)
waiter
de telefonist(en) de telefoniste(s)
telephonist
de politieagent(en)
policeman
de verpleger(s) de verpleegster(s)
nurse, female nurse
de zakenman (zakenlui)
businessman, business people
de tuinier(s)
gardner
de postbode(s/n)
postman
Ik heb een boek, Het is mijn boek.
I have a book. It is my book
Jij hebt een boek. Het is je/jouw boek.
You have a book. It is your book.
U hebt een boek. Het is uw boek.
You have a book. It is your book.
Hij heeft een boek. Het is zijn boek.
He has a book. It is his book.
Zij heeft een boek. Het is haar boek.
She has a book. It is her book.
Wij hebben een boek.Het is ons/onze boek
We have a book. It is our book.
Jullie hebben een boek.Het is jullie/je boek.
You (plural) have a book. It is your book.
Zij hebben een boek. Het is hun boek.
They have a book. It is their book.
Woordenlijst hoofdstuk 2
Wordlist Chapter 2
1 Wat is de prijs van? = Hoeveel kost(en)?
What is the price of…? How much does . cost?
2 Een boot kost ...euro per persoon.
a boat costs…..euro per person
3 een halve dag… een hele dag
a half day…. A whole day
4 een half uur … één uur
a half hour… one hour
5 de cijfers von 0 tot: een, twee, drie, vier
the numbers from 0 to…. One, two, three, four
vijf, zes, zeven, acht, negen, tien
five, six, seven, eight, nine, ten
6 Hoeveel ... zijn er?
How many are there?
7 Er is ... een …. / er zijn ….
There is…. One…/ there are….
8 het huis ….. de woning:
The house …. The home
de hal
hall
de (ingerichte) keuken
(fitted) kitchen
de woonkamer (de living): de eetkamer
living room, dining room
de zithoek
sitting corner
de slaapkamer(s)
the bedroom(s)
de badkamer(s) : de douche - het bad
the bathroom - shower, bath
de wastafel
wash hand basin
het toilet = de WC
toilet
de garage(s)
garage
het (overdekte) terras
(covered in) terrace
het balkon
balcony
gelijkvloers de (eerste) verdieping
like floors - the first storey (floor)
de centrale verwarming
central heating
de tuin
garden
de vloer het plafond de muur (muren)
floor, ceiling, wall(s)
de deur(en) het raam (de ramen)
door(s), window(s)
9 het meubel (de meubelen/de meubels):
furniture
de stoel(en)
chair
de tafel(s)
table
het bed(den) - het eenpersoonsbed
bed, single bed
het tweepersoonsbed - het stapelbed
double bed, bunk bed
het rek(ken)
cabinet
de kast(en) de sofa('s)
wardrobe, cupboard, sideboard…. Sofa(s)
de/het schilderij(en)
picture(s)
de zetel(s)
seat, chair
de sofa('s)
sofa
het tv-toestel(len)
TV apparatus
de cassetterecorder(s)
cassette recorder
de koelkast(en)
fridge
het fornuis (fornuizen)
oven
-. de boekenkast(en)
book case
10 de plant(en) de bloem(en)
plant(s) flower(s)
11 het tapijt(en)
carpet
12 het telefoonnummer : met + je naam
telephone number, this is….
13 Ik telefoneer naar/met iemand.
I'm telephoning for…..someone
14 We wensen een appartement te huren…
We wish an appartment to rent…..
van 1 tot 15 augustus.
from 1st August to 15th August
Ik heb een huis tegen de prijs van x euro.
I have a house against the price of x euro.
16 zijn naam spellen
your name to spell
17 de maanden (de maand) van het jaar :
the months (month) of the year
januari - februari - maart
january, february, march
april - mei -juni
april, may, june
juli - augustus - september
july, august, september
oktober - november - december
october, november, december
18 de dagen (de dag) van de week:
the days of the week
maandag - dinsdag - woensdag
Monday, Tuesday, Wednesday
donderdag -vrijdag
Thursday Friday
zaterdag - zondag
Saturday, Sunday
19 het appartement(en)
the appartment
20 de villa('s)
villa
21 alleen
only
22. je gezin = je familie
family
23 koffiezetten: Ik zet koffie in de keuken.
make coffee, I make coffee in the kitchen
een bad/douche nemen:
to take a bath/shower.
Ik neem een bad in de badkomer.
I take a bath in the bathroom
25 zich scheren :
to shave yourself
Ik scheer me in de badkomer.
I shave myself in the bathroom.
Hij scheert zich...
He shaves himself
26 zijn tanden poetsen:
brush your teeth
Ik poets mijn tanden in de badkamer.
I brush my teeth in the bathroom
lezen : Ik lees een boek in de woonkamer.
read: I read a book in the living room
slapen : Ik slaap in de slaapkamer.
sleep: I sleep in the bedroom
de tafel dekken. Ik dek de tafel in de keuken.
set the table: I set the table in the kitchen
bakken:
bake
Ik bak een brood (in de oven) in de keuken
I bake bread in the oven in the kitchen
31 drinken:
drink:
Ik drink een aperitief in de woonkamer.
I drink an aperitief in the living room
32 de preposities :
prepositions
voor - achter - bij / naast
before - after - by/next to
tussen - in - op - onder - aan
between - in - on - under - at/beside/in/upon
33.Waar is …..? Er is een ... / er zijn
Where is…? There is one…. / there are
Er ligt een ... / er liggen
There lies
Er staat een ... / er staan
There stands
Er hangt een ... / er hangen
There hangs
Dat is een badkamer want er staat een bad
That is a bathroom because there is a bath
Dat is een badkamer want er is een bad.
That is a bathroom because there is a bath
Woordenhijst hoofdstuk 3
Wordlist Chapter 3
1 de tijd - Hoe laat is het?
the time, what time is it?
2 het uur - Het is...uur = 't Is...uur.
the time, it is….o'clock
3 het halfuur - Het is half. Het is halftwaalf.
the half hour - it is half past….
4 het kwartier - Het is kwart voor/over
the quarter. It is quarter before/past…..
5 om : om twaalf uur
at twelve o'clock
6 het seizoen (en) - het jaargetijde (n):
the season(s) - the season
de lente - de zomer - de herfst - de winter
spring, summer, autumn, winter
7 de dag: de morgen - 's morgens /
the day - the morning, in the mornings
de ochtend - 's ochtends
the morning, in the mornings
de voormiddag - 's voormiddags
before midday, in before middays
de middag - 's middags
midday, in the middays
de namiddag - 's namiddags
the afternoon, in the afternoons
de avond - 's avonds
evening, in the evenings
de nacht - 's nachts
night, at night
middernacht
midnight
8 de agenda ('s)
the agenda
de afspraak - een afspraak maken/nemen
the apointment - make an appointment
10 het weekend - het weekeinde
the weekend
11 de pauze (nemen) - tijdens de pauze
the break, during the break
12 de werkdag (en)
the workday
13 de (werk)vergadering
the (work) meeting
14 de collega ('s)
the colleague
15 de fauteuil = de zetel
the armchair
16 schoollopen - Ik loop school in ...
walking to school… I walk to school in…
Ik ga naar school in …
I go to school in…
student aan de universiteit /de hogeschool
university/high school student
opstaan:ik sta (vroeg/laat) op
I get up (early/late).
je staat op. Sta je op?
You get up. Are you getting up?
ontbijten: Ik ontbijt - je ontbijt - ontbijt je?
to take breakfast.I eat breakfast - you eat b
20 slapen: ik slaap-je slaapt-slaap je?
sleep - I sleep, you sleep. Are you sleeping?
21 gaan:ik ga - je gaat - ga je?
to go
22 komen: ik kom - je komt - kom je?
to come
23 Hoe ga je naar je werk /naar school?
How do you go to work/school?
met de trein/de auto/de tram/de metro
with the train, car, tram, metro
24 de straat - de laan - de weg
the street, lane, road
25 het kruispunt - aan het kruispunt
crossroads, at the crossroads
26 het zebrapad
the zebra crossing
de verkeerslichten
traffic lights
het groene, rode, oranje Iicht
green, red, orange light
28 de stoep: het trottoir: het voetpad
the step, the pavement/the footpath
29 de hoek - op de hoek van de straat
the corner - on the corner of the street
30 links - rechts
left - right
31 aan de/uw linkerkant
at the/your lefthand side
aan de/uw rechterkant
at the/your right side
32 rechtdoor: U moet rechtdoor gaan.
straight on - you must go straight on…
inslaan
take/turn into.
U slaat de eerste straat/laan/weg links in
You turn left into the first street/lane.
34 afslaan: U slaat rechts af
turn off. You turn off right.
35 oversteken: U steekt de straat over
cross over. You cross over the street.
36 volgen: U volgt deze straat.
follow: You follow this street.
37 tot (aan)
until
38 rijden: ik rijd - je rijdt - rijd je?
to ride
39 nemen: ik neem - je neemt - neem je?
to take
teruggaan:
to go back
ik ga terug/je gaat terug/ga je terug?
I am going back/you are./are you going back?
moeten(+ infinitief op het einde van de zin):
must
Ik moet - je moet - hij/zij moet
I must, you must, he/she must
moet je? vb. : Je moet rechts afslaan.
must you, You must turn off right.
kunnen (+ infinitief op het einde van de zin):
can
Ik kan - je kan/kunt - hij/zij kan
I can, you can, he/she can
kan/kun je?
can you?
43 eerst, dan, daarna + inversie; vb.
first, then, afterwards/then
Eerst gaat u rechtdoor, dan…
First you go straight on, then….
44 moeilijk> gemakkelijk
difficult, easy
45 de weg uitleggen - de weg vinden
to explain the way, to find the way
46 weten: Ik weet - je weet - weet je?
I know
47 excuseer = neem me niet kwalijk
excuse me
48 meneer
sir
49 mevrouw
madam
50. graag gedaan
You're welcom
51 jazeker
certainly
52 juist
correct
53 nodig: het is (niet) nodig
necessary: it is (not) necessary
54 voorbij
beyond, past
55 de stad (de steden)
the city
56 de plattegrond
streetmap
57 het plein
square
58 de parkeerplaats
parking place
welk(e): welke winkel (welke + de-woord)
which shop
welk gebouw (welk + het-woord)
which building
enkele winkels en gebouwen
a few shops and buildings
de winkel het gebouw
the shop, the building
de bakkerij het hotel
bakery, hotel
de slagerij de bank
butcher, bank
de krantenwinkel het postkantoor
newpapershop, postoffice
de apotheek het ziekenhuis
chemist, hospital
de supermarkt het stadhuis
supermarket, cityhall
het zwembad de kerk
swimming pool, church
de school het station
school, station
61 kopen: Ik koop - je koopt - koop je?
buy
de buur/de buurman/de buurvrouw/de buren
neighbour
63 daar
there
64 enz. = enzovoort
and so forth
65 altijd
always
66 alstublieft (a.u.b.) - alsjeblieft
please
Hoofdstuk 4
Chapter 4
1 de maaltijd(en) - een maaltijd gebruiken
meal(s) - to dine
2 het ontbijt - ontbijten (ik ontbijt)
breakfast
3 het middagmaal
midday meal
4 het vieruurtje
midafternoon meal
5 het avondmaal
evening meal
6 bestaan uit
to exist from
7 licht (een lichte maaltijd)
light, a light meal
8 sober > < overvloedig
sober, frugal><abundant
9 koud > < warm
cold><warm
10 het restaurant
the restaurant
11 de klant
the customer
12 de ober = de kelner
the waiter
13 reserveren
to reserve
14 bestellen
to order
15 het eten - eten (Ik eet)
the meal, to eat
16 het menu = de (spijs)kaart
the menu
17 kiezen (Ik kies)
to choose
18 wensen (Ik wens)
I wish for/want
19 vrij - (Is deze tafel nog vrij?)
free (is this table still free?)
20 volgen
follow
21 kosten
cost
22 de rekening - (Mag ik de rekening?)
the bill (May I have the bill?)
23 liever (Ik eet graag ..maar ik eet liever..)
prefer (I enjoy eating… but I prefer to eat….)
24 smakelijk - smaken (het smaakt)
tasty - to taste (het tastes)
25 lekker
delicious
26 het gerecht
dish
27 het voorgerecht
starter
28 de hoofdschotel
main course
29 het nagerecht = het dessert
dessert
30 de soep
soup
31 het stuk (taart)
piece of tart/pie/cake
32 het gebak
pastry, cake, pie
33 het ijs(je)
icecream
34 de slagroom
whipped cream
35 veel > < weinig
much, many >< little, few
36 vers
fresh
37 vet
fat
38 gezond
healthy
39 zuur (citroen is zuur)
sour
40 zout (ham is zout)
salty
41 zoet (suiker is zoet)
sweet
42 de suiker
sugar
43 met> < zonder
with >< without
44 te + adjectief
too….
45 niets
nothing, none
46 niet - geen
not, no, - no
47 maar
but
48 of
or, whether
49 meestal
mostly
50 de boterham
sandwich
het brood(je)/het sneetje/de snede brood
small roll of bread, slice of bread
52 de toast - de toost
toast
53 de chocolo(de) - de reep chocolade
chocolate bar (strip)
54 de chocopasta
chocolate spread
55 de yoghurt
yoghurt
56 het ei (de eieren)
egg
57 de confituur: de jam
jam
58 de kaas
cheese
59 de gewoonte
manner, custom
60 het fruit: de aardbei
fruit, strawberry
de appel
apple
de citroen
lemon, citroen
61. de vrucht(en)
fruit
62. de groente(n):
vegetable
de aardappel
potato
gekookte de kroket(ten) de friet(en)
boiled/cooked, krottet, chip(s)
de sla
lettuce
de tomaat
tomato
63.de rijst
rice
64.de saus
sauce
65.het vlees: de biefstuk
meat, beefsteak
de ham (een snede ham)
ham, (a slice of ham)
de kotelet
cutlet
de kip
chicken
66 de vis: de kabeijauw
fish, cod
67 het schelpdier: de mossel(en)
shellfish, mossels
het schaaldier: de garnaal
shellfish, shrimp
de krab
crab
68 de drank(en): het bier
drinks, beer
(een glas - glazen) - (de fles - flessen)
glass, bottle
de wijn
wine
het (bron)water
spring water
de melk
milk
de cola
cola
het fruitsap
fruit juice
de limonode
limonade
de koffie (een kop(je)) de thee
coffee
69 het bestek: de lepel, de vork, het mes
cutlery, spoon, fork, knife
70 het bord: een diep bord - een plat bord
plate, deep plate, flat plate
Woordenlijst hoofdstuk 5
Wordlist Chapter 5
boodschoppen doen
to do messages/errands
de klant
the customer
de winkel - de winkelier
the shop - the shopkeeper
het warenhuis - de afdeling
the department store - the department
de markt
the market
de boekhandel - de (boek)handelaar
bookshop, bookshop owner/bookseller
de bloemenwinkel/de bloemist(e)/de bloem
flower shop
het boeket - de ruiker
bouquet - the small bouquet
de kruidenierswinkel - de kruidenier
grocers shop, grocer
de bakkerij - de bakker
bakery, baker
de slagerij - de slager
butchers shop, butcher
de vishandel/de viswinkel/de vishandelaar
fish shop, the fish seller
het kapsalon/de kapper/de kapster/
hairdresser - barber -
het kapsel
haircut
de kledingzaak/de verkoper/de verkoopster
clothes shop
de kleding - de kleren:
clothes - clothes
de bloes /de blouse het hemd
blouse - shirt
de broek de jurk
trousers - dress
de das de rok
tie - skirt
het pak de kous - de sok - de nylons
suit - stocking - sock - nylons
de jas de trui
jacket - jumper/sweater
een paar schoenen de (gym)schoen
pair of shoes - jym shoes -
de pantoffel
carpet slipper
de zakdoek
hankerchief
in de mode> < ouderwets
in fashion >< old fashioned
de kwalteit
quality
er uitzien : je ziet er goed uit
looks like : you see good
staan: het staat u goed
it stands you good - it suits you
omruilen: Ik ruil ... om
to announce
passen - de paskamer
change - the changing room
de maat rondkijken: ik kijk rond
I'm looking round
wensen : wat wenst u?
to wish for/want: what do you want?
bedienen
to serve
wie is aan de beurt?
who is next?
volgend(e)
following
kunnen : waarmee kan ik u van dienst zijn?
How can I help you?
waarmee kan ik u helpen?
How can I help you?
kiezen - uitkiezen - de keuze
to choose, select, the choice
kopen
buy
kosten
cost
krijgen
receive/get
vinden
find
de korting
discount
contant
cash
het kleingeld
change
de cheque
cheque
de kredietkaart = de creditcard
credit card
het dozijn (: 12)
dozen
de prijs
the price
duur > < goedkoop
expensive>< cheap/inexpensive
gratis
free
de waarborg
guarantee
proeven
taste
de zuivel(producten): melkproducten
dairy produce
het gehakt
minced meat
de worst
sausage
de (krop) sla
cabbage/lettuce
de paprika
pepper
de peer
pear
de sinaasappel
orange
de prei
leek
de selderie
celery
de spinazie
spinach
de plant
plant
de tulip
tulip
het geneesmiddel
medicine
het voorschrift
perscription
de hoestsiroop
cough syrup
de neusdruppels
nose drops
het snoepje
sweet
de kauwgom
chewing gum
de wafel
waffel
de krant
newspaper
de roman
novel
het onderhoud - het onderhoudsproduct
maintenance - maintenance product
gesneden
sliced
het stuk
piece
het gram
gram
het kilo
kilo
de liter
litre
de doos
box
de kist
case, chest
het pak
pack, package
het papier
paper
de zak
bag, sack
inpakken
pack up
het cadeau - het geschenk
gift, present
prachtig
magnificent, splendid
prima
first class
uitstekend
excellent
vers
fresh
Hoofdstuk 6
Chapter 6
1 de Iichaamsdelen
the body parts
het hoofd:
the head
het gezicht
face
het haar
hair
de hals de nek de keel
neck, neck, throat
het oog (ogen)/de wenkbrauw(en)
eyes, eyebrows,
de wimper(s)
eyelash(s)
het oor (oren)
ear
de neus
nose
de mond - de lip(pen) - de tand(en)
mouth, lip, teeth,
de kies (kiezen) - de tong
cheek, tongue
de romp en de ledematen:
rump/torso and the limbs
de schouder(s)
shoulder
de arm(en) - de elleboog (ellebogen)
arm - elbow
de pols(en) - de hand(en)
wrist (pulse) - hand
de vuist
fist
een vuist maken
make a fist
zijn hand tot een vuist ballen
make a fist
de vinger(s)
finger
duim/wijsvinger/middenvinger/ringvinger/pink
thumb forefinger middle ring littlefinger
de heup(en)
hip
het been (benen) de knie(èn) de enkel(s)
leg knee ankle
de voet(en) - de teen (tenen)
foot toe
de borst de borstkas de borsten
breast/chest chest breasts
de buik-de navel
stomach navel/belly button
de rug
back
het zitvlak
seat/bottom/buttocks
de long(en)
lung
de maag
stomach / tummy
het hart
heart
sporten is (niet) goed voor de benen
sport…is (not) good for the legs
Ik gebruik mijn arm om te tennissen
I use my arm to play tennis
voedsel proeven (Ik proef)
food to taste
5 een kist optillen (Ik til een kist op)
a case to lift up (I lift a case up)
Hoe gaat het met je?Heel goed (++)
How are you? Very good(++),
Goed (+) Niet (zo) goed (-) Slecht (--)
good(+) not so good (-) bad(--)
7 Wat is er aan de hand? Wat scheelt er?
What is the trouble/matter?
8 Ik ben ziek - Ik voel me niet Iekker.
I am sick - I don't feel well. I feel unwell
9 ziek > < gezond
sick>< healthy
10 het symptoom
the symptom
11 Ik heb pijn (hoofdpijn)
I have pain (a headache, )
buikpijn - rugpijn
stomachache, backpain
Ik heb pijn (keelpijn-oorpijn-kies/tandpijn)
I have pain (sore throat, ear, toothache)
12 Mijn hand doet pijn.
My hand is painful
Ik heb pijn aan mijn hand
I have a pain in my hand
Mijn been/voet doet pijn
My leg/foot is painful
Ik heb pijn aan mijn been/voet
I have a pain in my leg/foot
13 Ik heb koorts.
I have a fever
14 Ik ben misselijk.
I feel sick/queasy
15 braken overgeven
vomit - vomit
16 Ik heb griep.
I have the flu
Ik heb een verkoudheid.
I have a cold
Ik ben verkouden.
I have a cold
18 Ik hoest. - Mijn neus loopt.
I cough - my nose runs.
Mijn hand/voet is verstuikt .. is gebroken
My hand/foot is sprained / broken
de huisarts(en): de huisdokter(s)
family doctor GP
de kinderarts (pediater)
child doctor / pediatrician
de vrouwenarts (gynaecoloog)
gynaecologist
de oogorts
eye doctor / ophthalmologist
de kno-arts (keel-neus-oor)
throat, nose and ear doctor
de chirurg
surgeon
de tandarts
dentist
21 één, twee, drie ... keer per dag
1,2, 3 times per day
het geneesmiddel=het medicijn
medicine
het geneesmiddel=het medicament
medicine
het koortswerend middel(en)
antipyretic (refrigerant)
het antibioticum (antibiotica)
antibiotic
het kalmeermiddel - het slaapmiddel
sedative - sleeping medicine
de pijnstiller(s)
sedative/pain killer
de pil: een pil innemen / inslikken
pill: take a pill, swallow a pill
de zetpil(len)
suppository
de hechtpleister(s)
sticking plaster, band-aid
de zalf (zalven)
ointment
de inspuiting(en): de injectie(s)
injection
de/het zuigtablet(ten)
lozenge, sucking tablet
de neusdruppels
nose drops
de hoestsiroop
cough syrup
23 een laag > hoog bureau
a low/high writing desk
24 door de knieën zakken
lower through the knees
25 de lage rug blijft hol > < bol
the lower back keep concave >< convex
26 matig zijn met alcohol
temperate with alcohol
27 zoet en zout vermijden
avoid sweet and salty foods
28 dagelijks: elke dag
every day
29 je tanden poetsen:ik poets mijn tanden
brush your teeth : I brush my teeth
zonnebaden:
sunbath:
in de zon liggen om bruin te worden
lie in the sun to become brown
bewegen - de beweging
to move - the movement
Hoofdstuk 7
Chapter 7
1 Wat doe je met je handen en armen ?
What do you do with your hands and arms?
naar iets/iemand wijzen iets tonen
point to something/someone - show something
zijn haar borstelen / kammen / wassen
brush/comb/wash his hair
Ik borstel / kam / was mijn haar.
I brush / comb/ wash my hair
grijpen / nemen Ik grijp / neem een appel..
grip/grap/catch/take - I grab / take an apple.
(weg)gooien Ik gooi de bal (weg).
(away) throw. I throw the ball away
duwen / wegduwen:Ik duw (tegen) de kast.
push/push away. I push (against) the cupboard.
Ik duw de kast weg.
I push the cupboard/wardrobe away
trekken: Ik trek aan een touw.
pull. I pull on the rope
(duwen > < trekken)
(push >< pull)
strijken
iron
Ik strijk mijn hemd met een strijkijzer(het)
I iron my shirt with an iron
dragen Ik draag een koffer.
to carry - I carry a suitcase
krabben Ik krab (op het tombolabiljet).
scratch - I scratch (on the tombola ticket/note)
vechten Ik vecht.
to fight - I fight
2 Wat doet hij met zijn voeten en benen ?
What does he do with his feen and knees?
stappen Hij stapt. Hij gaat te voet.
to step/walk. He walks. He goes by foot.
lopen-Hij loopt(Bel=rennen;Ned=stappen)
runs - He runs.(in Belg-rennen-Dutch-stappen)
rennen Hij rent.
to run - He runs
springen Hij springt.
spring/jump - He jumps
klimmen Hij klimt op een berg/in een boom
climb / He climbs (up a mountain - in a tree)
op-/af lopen Hij loopt de trap op > < af.
run up/down - He runs up/down the stairs
kruipen
creep/crawl
Hij kruipt op zijn knieën
He crawls on his knees
Hij kruipt op handen en voeten
He crawls on hands and feet
knielen - Hij knielt
kneel. He kneels
hij gaat op zijn knieën zitten
He kneels
trappen Hij trapt tegen de bol.
kick/pedals He kicks the ball.
Hij trapt op de fiets.
He pedals the bike.
hurken Hij hurkt.
crouch He crouches.
Hij/zij zit op zijn/haar hurken.
He/she crouches
plooien >< strekken
fold/bend >< stretch
Hij plooit >< strekt zijn been.
He bends>< stretches his legs
vallen Hij valt.
fall - He falls
duiken Hij duikt in het water.
dive - He dives in the water
buigen Hij buigt.
bend/bow over. He bows.
Een poetsvrouw
A cleaning woman
Zij moet goed op haar hurken kunnen zitten
She must be able to crouch well.
onderzoeken
look after:
de dokter onderzoekt de patiënt.
the doctor looks after the patient
liggen/gaan liggen/De patiënt gaat liggen.
lie/lie down/The patient lies down.
De patiënt ligt op de onderzoektafel.
The patient lies down on the examination table.
zitten - gaan zitten - Ik ga zitten. - Ik zit.
Sit - sit down - I sit down. I sit.
7 opstaan - Ik sta op.
stand up - I stand up
8 de armen/benen optillen (>< neerleggen)
the arms/legs lift up (>< lay down put down)
uitstrekken >< plooien
stretch/extend >< bend/fold
Ik til mijn arm op.
I lift my arm up
Ik leg mijn been neer en strek mijn arm uit.
I lay down my leg and stretch out my arm.
9 er goed uitzien - Het/hij ziet er goed uit.
there looks good. It/he looks good.
10 de ademhaling
the breathing
de dokter luistert naar de ademhaling
the doctor listens to the breathing
Hij luistert met de stethoscoop
He listens with the stethoscope
bloeden - Ik bloed. - Hij verliest veel bloed.
to bleed - I bleed. He is losing much blood.
kleren aantrekken> < uittrekken
put on / take off clothes
Ik trek mijn kleren aan/uit.
I put on / take off my clothes
zich aankleden > < zich uitkleden
dress / undress oneself
Ik kleed me aan/uit.
I dress myself / I undress myself
leggen - Iiggen
apply - lie.
Ik leg een zakdoek op de wonde.
I apply a hankerchief/cloth on the wound
De zakdoek Iigt op de wonde.
The cloth lies on the wound.
duizelig - Ik voel me duizelig. - Ik draai.
dizzy. I feel dizzy. I turn around