• Shuffle
    Toggle On
    Toggle Off
  • Alphabetize
    Toggle On
    Toggle Off
  • Front First
    Toggle On
    Toggle Off
  • Both Sides
    Toggle On
    Toggle Off
  • Read
    Toggle On
    Toggle Off
Reading...
Front

How to study your flashcards.

Right/Left arrow keys: Navigate between flashcards.right arrow keyleft arrow key

Up/Down arrow keys: Flip the card between the front and back.down keyup key

H key: Show hint (3rd side).h key

A key: Read text to speech.a key

image

Play button

image

Play button

image

Progress

1/4898

Click to flip

4898 Cards in this Set

  • Front
  • Back
deerlijk
[ENGL: grievously]
dagtocht
[ENGL: daytrip]
cyaankali
[ENGL: cyanide of potassium]
colofonium
[ENGL: resin]
bijvoegen
[ENGL: add]
bijpraten
[ENGL: catch]
bezopen
[ENGL: drunk]
bezieling
[ENGL: animation]
beuren
[ENGL: cheer]
benieuwdheid
[ENGL: curious nature]
belastbaar
[ENGL: taxable]
beieren
[ENGL: peal]
beeldig
[ENGL: adorable]
baring
[ENGL: parturition]
bangerd
[ENGL: coward]
babbelkous
[ENGL: chatterbox]
atleet
[ENGL: athlete]
amendement
[ENGL: amendment]
ambt
[ENGL: office]
alsmaar
[ENGL: ever]
afwisseling
[ENGL: alternation]
achterpoortje
[ENGL: loophole]
aanschroeven
[ENGL: screw]
aanleren
[ENGL: learn]
aanhechten
[ENGL: attach]
aanbidding
[ENGL: worship]
aanbidden
[ENGL: worship]
zinnens zijn
[ENGL: intending to]
zeurpiet
[ENGL: whiner]
zendeling
[ENGL: missionary]
wrevel
[ENGL: resentment]
werktuigkundige
[ENGL: engineer]
weifelend
[ENGL: tentative]
wegbranden
[ENGL: burn away]
wandelweg
[ENGL: walk]
walgend
[ENGL: disgusted]
voorn
[ENGL: roach]
volmacht
[ENGL: proxy]
verzending
[ENGL: Shipping]
verver
[ENGL: dyer]
vertroosting
[ENGL: consolation]
verstrijken
[ENGL: end]
verspringen
[ENGL: skip]
verouderen
[ENGL: age]
vergrendelen
[ENGL: Locking]
veralgemening
[ENGL: generalization]
vedelen
[ENGL: fiddle]
vastprikken op
[ENGL: fixture at]
uitscheuren
[ENGL: tear out]
tutten
[ENGL: fussing]
tuigage
[ENGL: rigging]
tuien
[ENGL: tethering]
troetelkind
[ENGL: minion]
trawlen
[ENGL: trawling]
touw
[ENGL: rope]
toost
[ENGL: toast]
toekenning
[ENGL: grant]
textuur
[ENGL: texture]
tarra
[ENGL: tare]
tafelgerei
[ENGL: tableware]
stiel
[ENGL: craft]
steurkrab
[ENGL: sturgeon crab]
stern
[ENGL: tern]
stamper
[ENGL: pestle]
snuffen
[ENGL: snuff]
slijtage
[ENGL: wear]
schreeuwerig
[ENGL: blatant]
scherpzinnig
[ENGL: perspicacious]
schepen
[ENGL: Ships]
schattebout
[ENGL: sweetheart]
sajet
[ENGL: worsted]
welopgevoed
[ENGL: well-bred]
watje
[ENGL: wimp]
viezigheid
[ENGL: filth]
vermissen
[ENGL: miss]
ver terug
[ENGL: far back]
velerlei
[ENGL: multiple]
vaten
[ENGL: drums]
vastklemmen
[ENGL: Clamp]
vandaag de dag
[ENGL: Today]
van kracht
[ENGL: force]
uitmeten
[ENGL: measure]
uitbesteden
[ENGL: Outsourcing]
toebehoren
[ENGL: Accessories]
tafel van vermenigvuldiging
[ENGL: multiplication table]
stuken
[ENGL: plastering]
struiken
[ENGL: shrubs]
stommerik
[ENGL: idiot]
staande houden
[ENGL: maintain]
schaffen
[ENGL: buy]
samenkomst
[ENGL: gathering]
samenhang
[ENGL: consistency]
redetwisten
[ENGL: argue]
protserig
[ENGL: gaudy]
poets
[ENGL: polish]
pittoresk
[ENGL: picturesque]
ontwijden
[ENGL: desecrate]
ontvangstbewijs
[ENGL: receipt]
ontbinding
[ENGL: dissolution]
ongezouten
[ENGL: unsalted]
onderstaand
[ENGL: below]
onderhavig
[ENGL: present]
omvormbaar
[ENGL: convertible]
oen
[ENGL: hen]
niet van toepassing
[ENGL: not applicable]
niet toegestaan
[ENGL: not allowed]
maaltand
[ENGL: molar]
maakster
[ENGL: maker]
kruidenier
[ENGL: grocer]
kromming
[ENGL: curvature]
klinkende munt
[ENGL: hard cash]
kleinzoon
[ENGL: grandson]
klamboe
[ENGL: mosquito net]
inlichting
[ENGL: information]
iets in vogelvlucht tekenen
[ENGL: draw something in a nutshell]
herziening
[ENGL: review]
heen en weer vervoeren
[ENGL: transportation to and fro]
geuren
[ENGL: fragrances]
geestestoestand
[ENGL: state of mind]
fut
[ENGL: pep]
friteuse
[ENGL: Fryer]
flegma
[ENGL: phlegm]
flauwte
[ENGL: fainting]
fins
[ENGL: finnish]
feestvarken
[ENGL: party animal]
een verslag schrijven van
[ENGL: Writing a report]
een hemelsbreed verschil
[ENGL: a world of difference]
echtbreekster
[ENGL: adulteress]
dubben
[ENGL: Dubbing]
brombeer
[ENGL: grumbler]
boze geest
[ENGL: ghoul]
beweeggrond
[ENGL: motive]
belg
[ENGL: Belgian]
baar geld
[ENGL: cash]
avond voor allerheiligen
[ENGL: Halloween]
aarzeling
[ENGL: hesitation]
aantasting
[ENGL: degradation]
aangroeien
[ENGL: grow]
aanbrengen
[ENGL: apply]
grutten
[ENGL: grits]
geveerd
[ENGL: suspension]
geslachtsdaad
[ENGL: copulation]
gastvrij ontvangen
[ENGL: hospitable]
ent
[ENGL: graft]
consulent
[ENGL: consultant]
bloedschande
[ENGL: incest]
berst
[ENGL: bursts]
aldaar
[ENGL: there]
zitvlak
[ENGL: seat]
zetmeel
[ENGL: starch]
wollig
[ENGL: woolly]
wellust
[ENGL: lust]
welig
[ENGL: luxuriant]
vordering
[ENGL: claim]
verslaafdheid
[ENGL: addiction]
vergallen
[ENGL: poison]
verbrassen
[ENGL: squander]
uitschuren
[ENGL: scour]
uitgesteld worden
[ENGL: postponed]
toog
[ENGL: bar]
stationcar
[ENGL: estate]
smurrie
[ENGL: gunk]
raffelen
[ENGL: rush]
overschrijving
[ENGL: transfer]
onverzorgd
[ENGL: untended]
meegaand
[ENGL: accommodating]
lits-jumeaux
[ENGL: twin]
komer
[ENGL: dredge]
koel
[ENGL: cool]
kaptafel
[ENGL: dressing table]
kalium
[ENGL: potassium]
in de gaten houden
[ENGL: keep an eye on]
pierewaaien
[ENGL: go on the spree]
pachter
[ENGL: tenant]
modderig
[ENGL: muddy]
malve
[ENGL: mallow]
in verkoop overtreffen
[ENGL: in sales surpass]
in duplo
[ENGL: duplicate]
huurder
[ENGL: tenant]
gorden
[ENGL: gird]
bijgaand
[ENGL: accompanying]
basterd
[ENGL: bastard]
bagatel
[ENGL: trifle]
amorf
[ENGL: amorphous]
agiteren
[ENGL: agitate]
aanvliegen
[ENGL: fly]
woelig
[ENGL: choppy]
verdorie
[ENGL: shucks]
staartstuk
[ENGL: tailpiece]
sloerie
[ENGL: slut]
schatter
[ENGL: valuer]
smoorheet
[ENGL: sweltering]
onteren
[ENGL: dishonor]
onbeschaamd
[ENGL: impudent]
maretak
[ENGL: mistletoe]
makkelijk doel
[ENGL: easy target]
koelte
[ENGL: coolness]
défilé
[ENGL: procession]
borgsom
[ENGL: deposit]
taugé
[ENGL: bean sprouts]
slet
[ENGL: slut]
pff
[ENGL: whew]
egotistisch
[ENGL: egotistical]
gekrenkt
[ENGL: disordered]
logies met ontbijt
[ENGL: bed and breakfast]
veiligheid
[ENGL: Safety]
uitstekend deel
[ENGL: projection]
opleiding
[ENGL: Training]
kentenken
[ENGL: kentenken]
aantal
[ENGL: number]
toevoeging
[ENGL: Addition]
ruien
[ENGL: moult]
cryptisch
[ENGL: cryptic]
clerus
[ENGL: Clergy]
courtisane
[ENGL: courtesan]
debiel
[ENGL: moron]
deinzen
[ENGL: shrink]
diggelen
[ENGL: smash]
dobber
[ENGL: float]
doen walgen
[ENGL: disgust]
doorsturen
[ENGL: Forward]
doorverbinden
[ENGL: connect]
druppen
[ENGL: dripping]
eerzucht
[ENGL: ambition]
eigenen
[ENGL: appropriating]
els
[ENGL: alder]
embolie
[ENGL: embolism]
enteren
[ENGL: board]
ervoor zorgen
[ENGL: ensure]
etherisch
[ENGL: ethereal]
etiologie
[ENGL: etiology]
fijnproever
[ENGL: gourmet]
galant
[ENGL: gallant]
gedrukte tekst
[ENGL: printed text]
gekroesd
[ENGL: curly]
geldverkwister
[ENGL: spendthrifts]
gelukstreffer
[ENGL: fluke]
gemopper
[ENGL: grumble]
gerammel
[ENGL: rattle]
geslachtsloos
[ENGL: sexless]
geslachtsverandering
[ENGL: sex change]
gevoelloos
[ENGL: unfeeling]
gewenning
[ENGL: habituation]
gladschuren
[ENGL: polishing]
grote hoeveelheid
[ENGL: large quantity]
grote slok
[ENGL: big gulp]
handschriftkunde
[ENGL: manuscripts]
hartelijke gelukwensen
[ENGL: heartiest congratulations]
haviksneus
[ENGL: hawk-nosed]
heftruck
[ENGL: forklift]
hengelen
[ENGL: angling]
heropenen
[ENGL: reopen]
hobbelig
[ENGL: bumpy]
holte
[ENGL: cavity]
hoppen
[ENGL: hopping]
huisvesten
[ENGL: house]
indiaas
[ENGL: Indian]
ingenieus
[ENGL: ingenious]
jaar
[ENGL: years]
jutten
[ENGL: combing]
kaaien
[ENGL: quays]
kanttekening
[ENGL: footnote]
karrepaard
[ENGL: cart-horse]
kassei
[ENGL: cobble]
kin
[ENGL: chin]
kladblok
[ENGL: scrapbook]
klappen
[ENGL: hit]
klas
[ENGL: class]
klauwen
[ENGL: claws]
klaver
[ENGL: clover]
kleurstof
[ENGL: pigment]
kleuter
[ENGL: toddler]
klimmen
[ENGL: climbing]
klonter
[ENGL: clot]
kneuzen
[ENGL: bruise]
kolos
[ENGL: colossus]
krenken
[ENGL: hurt]
lagen vormen
[ENGL: layers form]
lastig vallen
[ENGL: bother]
laten steunen
[ENGL: to support]
laten vallen
[ENGL: drop]
leerrijk
[ENGL: instructive]
leiband
[ENGL: leash]
lichtjes
[ENGL: slightly]
lieftallig
[ENGL: lovable]
lila
[ENGL: lilac]
lob
[ENGL: lobe]
maagd
[ENGL: virgin]
magnetron
[ENGL: microwave]
mammoet
[ENGL: mammoth]
mansarde
[ENGL: garret]
meanderen
[ENGL: meander]
mestvork
[ENGL: manure fork]
met ruiten
[ENGL: with windows]
metalen dop
[ENGL: metal cap]
mietje
[ENGL: sissy]
migratie
[ENGL: Migration]
mijmerend
[ENGL: dreamy]
misthoorn
[ENGL: fog signal]
mooizitten
[ENGL: sitting pretty]
mot
[ENGL: moth]
naar ... toe
[ENGL: to ... to]
navragen
[ENGL: inquire]
neet
[ENGL: nit]
nijpend tekort
[ENGL: shortage]
nurks
[ENGL: gruff]
omkanten
[ENGL: omkanten]
omroeper
[ENGL: crier]
onbesuisd
[ENGL: reckless]
onbewoond
[ENGL: uninhabited]
ongewerveld dier
[ENGL: invertebrate animals]
onlangs overleden
[ENGL: recently deceased]
ontwerper
[ENGL: designer]
ooi
[ENGL: ewe]
oortelefoon
[ENGL: Earphones]
openbaar
[ENGL: Public]
opzwellen
[ENGL: Swelling]
ordner
[ENGL: folder]
ouwehoer
[ENGL: bullshitting]
ouwehoeren
[ENGL: bullshitting]
overeenkomstig
[ENGL: according]
overeenstemmend
[ENGL: corresponding]
paasbloem
[ENGL: primrose]
pacen
[ENGL: Pacing]
pachten
[ENGL: lease]
parelen
[ENGL: pearl]
paroxisme
[ENGL: paroxysm]
patrijs
[ENGL: partridge]
ploten
[ENGL: shear]
poef
[ENGL: pouf]
poeh
[ENGL: pooh]
praal
[ENGL: pomp]
praatgraag
[ENGL: garrulous]
pretenderen
[ENGL: pretend]
prieel
[ENGL: arbor]
prikklok
[ENGL: time-clock]
primitief
[ENGL: primitive]
raspen
[ENGL: grate]
repeterend
[ENGL: repetitive]
bruikleen
de bruik·leen ook: het iets in bruikleen hebben: iets geleend hebben om te gebruiken
¨ deze computer heeft Dick in bruikleen omdat zijn eigen
computer stuk is
[ENGL: loan]
bof
de bof
1 een ziekte waarbij je wangen dik worden
2 een toevallige gebeurtenis die leuk is ¨ wat een bof dat het zulk mooi weer is
bof·fen [bofte, heeft geboft]
geluk hebben [iemand boft (met iets)] ¨ wij hebben geboft met dit grote huis [ENGL: parotitis, luck]
boef
de boef [boeven]
1 iemand die dingen doet die de wet verbiedt = de schurk
2 een kind dat dingen doet die niet lief zijn = de ondeugd
[ENGL: ragamuffin]
billen
de bil [billen]
elk van de twee delen van het lichaam waarop je zit
[ENGL: buttocks]
bijzonderheden
de bij·zon·der·heid [bijzonderheden]
een aparte kleine zaak die bij een gebeurtenis hoort = het detail ¨
in het tv-programma hoorden we meer bijzonderheden over het
ongeluk
[ENGL: details]
bewogen
be·wo·gen1 [bijvoeglijk naamwoord]
1 iemand die bewogen is, wordt door heftige gevoelens geraakt = ontroerd ¨ Renée was diep bewogen toen ze haar familie na jaren weer zag (2) een bewogen tijd is een drukke tijd met veel verschillende
gebeurtenissen ¨ de vrouw had een bewogen jeugd waarin ze
vaak moest vluchten
be·wo·gen2 zie bewegen
· be·we·gen [bewoog, heeft bewogen]
1 zorgen dat iets op een andere plaats komt [iemand beweegt iets]
¨ na het ongeluk kon hij zijn arm niet meer bewegen
2 op een andere plaats komen [iets of iemand beweegt] ¨ de
gordijnen bewogen zachtjes in de wind
zich · be·we·gen [bewoog zich, heeft zich bewogen]
1 naar een andere plaats gaan; een andere houding aannemen
[iemand beweegt zich] ¨ als Fred de foto neemt, mogen jullie je
niet bewegen
2 ergens zijn en omgaan met de mensen die daar zijn [iemand
beweegt zich ergens] ¨ hij beweegt zich graag in kringen van
kunstenaars
· be·we·gen tot [bewoog tot, heeft bewogen tot]
zorgen dat iemand iets doet [iemand beweegt iemand tot iets] ¨
hoe kunnen we de studenten ertoe bewegen actiever te worden?
[ENGL: moved]
bevatten
be·vat·ten [bevatte, heeft bevat]
1 in zich hebben; inhouden [iets bevat iets] ¨ de rapporten
bevatten maar weinig nieuws ¨ aardappels bevatten veel
gezonde stoffen
2 begrijpen [iemand bevat iets] ¨ hij kon nauwelijks bevatten dat
zijn auto gestolen was
[ENGL: contain]
bevallen
be·val·len [beviel, is bevallen]
1 een kind krijgen [een vrouw bevalt (van een zoon of een dochter)]
¨ vannacht is de buurvrouw bevallen van een gezonde dochter
2 prettig gevonden worden [iets bevalt iemand goed of slecht] ¨ zij
gaat elk jaar naar Italië op vakantie omdat dat haar goed bevalt
[ENGL: please]
betrekken
be·trek·ken [betrok]
1 [heeft betrokken] zich ergens vestigen; ergens gaan wonen
[iemand betrekt een huis of een kamer] ¨ vorig jaar betrokken ze
een nieuw kantoor buiten de stad
2 [heeft betrokken] daarvandaan halen; daar kopen [iemand
betrekt goederen (bij iemand of iets)] ¨ het leger betrekt veel
wapens uit het buitenland
3 [is betrokken] grijs worden door de wolken [de lucht betrekt]
zijn gezicht betrekt: zijn gezicht staat somber; hij ziet er niet blij uit
· be·trek·ken bij [betrok bij, heeft betrokken bij]
ergens bij halen; proberen iemand mee te laten doen [iemand
betrekt iemand of iets bij iets] ¨ moeten we de voorzitter niet bij
het overleg betrekken?
[ENGL: involve]
beschikken over
be·schik·ken over [beschikte over, heeft beschikt over]
1 bezitten = hebben [iemand of iets beschikt over iets] ¨ de ploeg
beschikt over te weinig goede spelers ¨ dit hotel beschikt over
twintig kamers
2 beslissen over iemand of iets [iemand beschikt over iemand of
iets] ¨ de arts wilde niet beschikken over leven of dood
[ENGL: have]
beperking
de be·per·king [beperkingen]
iets dat beperkt; een maatregel die je beperkt ¨ aan de boeren
zijn de laatste jaren veel beperkingen opgelegd
[ENGL: restriction]
benutten
be·nut·ten [benutte, heeft benut]
nuttig gebruiken [iemand benut iets] ¨ John heeft veel
mogelijkheden gehad om te studeren, maar hij heeft ze niet benut
[ENGL: use]
beminnen
be·min·nen [beminde, heeft bemind] (formeel)
houden van iemand of iets = liefhebben [iemand bemint iemand of
iets] ¨ de film gaat over twee mensen die elkaar in het geheim
beminnen
[ENGL: love]
bekleed
be·kle·den [bekleedde, heeft bekleed]
1 stof over iets, bijv. een stoel of een bank, doen [iemand bekleedt
iets, bijv. een stoel of een bank] ¨ we zoeken iemand die onze
stoelen opnieuw kan bekleden
2 hebben; uitoefenen [iemand bekleedt een functie, een ambt] ¨
mevrouw Netelenbos bekleedt een nieuwe functie binnen het
bedrijf
[ENGL: coated]
bekeuren
be·ke·ren [bekeerde, heeft bekeerd]
zorgen dat iemand hetzelfde geloof krijgt als jij [iemand bekeert
iemand] ¨ Victor probeert in Afrika mensen te bekeren tot het
christelijk geloof ¨ het programma ging over iemand die zich
bekeerd had tot de islam
[ENGL: summon]
bekeren
be·ke·ren [bekeerde, heeft bekeerd]
zorgen dat iemand hetzelfde geloof krijgt als jij [iemand bekeert
iemand] ¨ Victor probeert in Afrika mensen te bekeren tot het
christelijk geloof ¨ het programma ging over iemand die zich
bekeerd had tot de islam
[ENGL: convert]
behoorlijk
be·hoor·lijk [bijvoeglijk naamwoord]
1 netjes; zoals het hoort = fatsoenlijk « onbehoorlijk ¨ niet je
voeten op tafel; gedraag je toch eens behoorlijk!
2 aardig wat; flink = tamelijk ¨ onze directeur verdient behoorlijk
veel
[ENGL: proper]
beheerder
de be·heer·der [beheerders] be·heer·ster [beheersters]
iemand die een gebouw of andere zaken beheert*
[ENGL: administrator]
begeleiden
be·ge·lei·den [begeleidde, heeft begeleid]
1 meegaan met iemand = vergezellen [iemand begeleidt iemand]
¨ de leraar begeleidde de kinderen naar het zwembad
2 muziek spelen om een lied of een melodie mooier te laten
klinken [iemand begeleidt iemand] ¨ de zangeres wordt begeleid
door een orgel
3 hulp geven; steunen [iemand begeleidt iemand] ¨ de leraar
begeleidt Piet bij het maken van de sommen
[ENGL: accompany]
baren
ba·ren [baarde, heeft gebaard]
geboren laten worden [een vrouw baart (een kind)]
de baar [baren]
een toestel waarop je iemand draagt die dood is
[ENGL: bear]
andersom
an·ders·om [bijwoord]
op de tegenovergestelde manier = omgekeerd ¨ je moet de foto
andersom houden
[ENGL: vice versa]
afwezig
af·we·zig [bijvoeglijk naamwoord]
1 iemand die afwezig is, is er niet « aanwezig ¨ hij is wegens
ziekte lang afwezig geweest
2 met je aandacht bij andere dingen ¨ ze leek afwezig tijdens het
gesprek
[ENGL: absent]
afvoeren
af·voe·ren [voerde af, heeft afgevoerd]
naar een andere plaats brengen [iemand voert iets of iemand af] ¨
de mannen werden door de soldaten afgevoerd, terwijl vrouwen
en kinderen mochten blijven
de af·voer [afvoeren]
1 een pijp die water van de wc of de kraan weg laat lopen ¨ de
afvoer van het bad loopt via de kelder
2 [geen meervoud] de keer dat goederen worden afgevoerd* « de
aanvoer
[ENGL: removal]
afraden
af·ra·den [raadde af, heeft afgeraden]
het advies geven iets niet te doen « aanraden [iemand raadt
iemand iets af] ¨ de dokter raadde hem af om naar zijn werk te
gaan
[ENGL: discourage]
afmeting
de af·me·ting [afmetingen]
de maat; de grootte ¨ de tuin heeft afmetingen van ongeveer
twintig bij zeven meter
[ENGL: size]
aflevering
de af·le·ve·ring [afleveringen]
een deel van een serie verhalen of programma's ¨ vanavond komt
de eerste aflevering van een serie over de koninklijke familie op
televisie
[ENGL: episode]
afkeuren
af·keu·ren [keurde af, heeft afgekeurd]
1 zeggen dat je iets niet goed vindt « goedkeuren [iemand keurt
iets af] ¨ het parlement keurde zijn voorstel af
2 niet geschikt vinden voor een bepaalde taak [iemand keurt
iemand af] ¨ de heer Joosten is volledig afgekeurd voor zijn werk
[ENGL: disapprove]
afkeer
de af·keer
het gevoel dat je iets heel vervelend vindt of helemaal niet wilt ¨ hij
heeft een grote afkeer van de stad met zijn drukke straten
[ENGL: aversion]
afhankelijk van
af·han·ke·lijk van [bijvoeglijk naamwoord]
iets wat van iets of iemand afhankelijk is, wordt daardoor bepaald
¨ het is afhankelijk van het weer of ik een jas meeneem ¨ de
hoogte van de belasting is afhankelijk van het loon
[ENGL: depending]
afgeven
af·ge·ven [gaf af, heeft afgegeven]
1 naar een bepaalde plek brengen en daar geven [iemand geeft
iets af] ¨ de postbode gaf een pakje af
2 zo loslaten dat de kleur op andere dingen komt [een kleur geeft
af] ¨ de bloes heeft in de was afgegeven
af·ge·ven op [gaf af op, heeft afgegeven op]
kritiek hebben op iemand of iets [iemand geeft af op iemand of
iets] ¨ de medewerkers waren voortdurend aan het afgeven op de
nieuwe chef
[ENGL: issue]
achterblijven
· ach·ter·blij·ven [bleef achter, is achtergebleven]
1 niet meegaan; op een plaats blijven [iets of iemand blijft achter] ¨
de kapitein bleef alleen achter op het schip
2 niet zo goed zijn als anderen [iemand blijft achter] ¨ Joost blijft
erg achter in zijn klas
[ENGL: remain]
aanwezige
de aan·we·zi·ge [aanwezigen]
iemand die aanwezig is ¨ de aanwezigen kregen gratis koffie en
thee
· aan·we·zig [bijvoeglijk naamwoord]
iemand die aanwezig is, is er = present « afwezig ¨ hoeveel
mensen zijn er aanwezig? ¨ voor het beantwoorden van al uw
vragen is er voldoende personeel aanwezig
[ENGL: present]
aanleg
de · aan·leg
1 iets wat je goed kunt = het talent ¨ Monica heeft aanleg voor
talen
2 de bouw ¨ de aanleg van een nieuwe weg is een dure zaak
aan·leg·gen [legde aan, heeft aangelegd]
1 bouwen; maken [iemand legt een brug, een weg enz. aan]
2 met een touw vastmaken [iemand legt een schip aan]
3 aan de kant gaan liggen om vastgemaakt te worden [een schip
legt aan] ¨ het grote schip legde in de haven van Antwerpen aan
4 het met iemand aanleggen: een verhouding met iemand
beginnen
[ENGL: Instance, talent]
aangezien dat
· aan·ge·zien1 [voegwoord]
om de reden dat = omdat ¨ aangezien de minister geen antwoord
gaf, stopte de journalist met het gesprek
aan·ge·zien2 zie aanzien
het · aan·zien1
1 de waardering = het respect ¨ in een dorp heeft een arts
meestal veel aanzien
2 hoe iets er aan de buitenkant uitziet = het uiterlijk ¨ door de
nieuwe ramen heeft het huis een heel ander aanzien gekregen
3 ten aanzien van ...: met betrekking tot ... ¨ ten aanzien van het
moment van verhuizen moeten we nog een beslissing nemen
· aan·zien2 [zag aan, heeft aangezien]
laten gebeuren zonder er iets aan te doen [iemand ziet iets aan] ¨
de dokter wilde het nog even aanzien ¨ hij kon niet langer
aanzien hoe de dieren moesten lijden
· aan·zien voor [zag aan voor, heeft aangezien voor]
denken dat iemand een ander persoon is [iemand ziet iemand aan
voor iemand anders] ¨ Theo wordt vaak aangezien voor zijn broer
[ENGL: since that]
aandelen
het · aan·deel [aandelen]
1 het deel; de bijdrage ¨ de nieuwe medewerker had een flink
aandeel in de discussie
2 een bewijs dat je een deel van een bedrijf hebt gekocht ¨ de
aandelen van het bedrijf zijn sterk in prijs gestegen op de beurs
[ENGL: shares]
zwaaien
zwaai·en [zwaaide, heeft gezwaaid]
1 groeten door je hand heen en weer te bewegen [iemand zwaait
(naar iemand)] ¨ de kinderen zwaaiden naar hun moeder, die
naar haar werk ging
2 iets heen en weer bewegen [iemand zwaait (met) iets] ¨ hij
zwaaide de vlag heen en weer
de scepter zwaaien (over iemand): de baas zijn
3 heen en weer bewegen [iets zwaait] ¨ de bomen zwaaiden in de
wind
[ENGL: wave]
zuipen
zui·pen [zoop, heeft gezopen] (informeel)
veel drinken, vooral alcohol [iemand zuipt (iets)]
de auto zuipt benzine: de auto gebruikt erg veel benzine
[ENGL: booze]
zuinig
zui·nig [bijvoeglijk naamwoord]
1 zuinige mensen of dingen gebruiken weinig of geven weinig uit ¨
hoewel ze veel geld verdient, is ze heel zuinig ¨ we hebben een
zuinige auto gekocht, die weinig benzine gebruikt
zuinig zijn op iets: voorzichtig omgaan met iets ¨ ze is heel
zuinig op haar nieuwe schoenen
2 zuinig kijken: kijken alsof je iets niet erg leuk vindt
[ENGL: economical]
zucht
de zucht [zuchten]
1 lucht die je met geluid uit je mond laat komen, bijv. omdat je geen
zin hebt in iets ¨ met een zucht stond hij op
een zucht van verlichting slaken: blij zijn omdat iets waar je
bang voor was niet zal gebeuren ¨ ze slaakte een zucht van
verlichting toen ze hoorde dat de ziekte niet ernstig was
2 [geen meervoud] een groot verlangen ¨ hij heeft een zucht naar
macht
· zuch·ten [zuchtte, heeft gezucht]
lucht met geluid uit je mond laten komen, bijv. omdat je geen zin
hebt in iets [iemand zucht] ¨ toen de vrouw eindelijk ging zitten,
zuchtte ze diep
[ENGL: sigh]
ziel
de · ziel [zielen]
1 het onzichtbare deel van de mens dat volgens gelovigen na de
dood verder leeft ¨ denk je dat planten ook een ziel hebben?
2 (informeel) iemand met wie je medelijden hebt = de stakker ¨ de
ziel heeft allebei haar armen gebroken!
[ENGL: soul]
woest
woest [bijvoeglijk naamwoord]
1 een woeste persoon is heel erg boos = woedend = razend ¨ de
vrouw werd woest toen ze hoorde dat ze de baan niet had
gekregen
2 iets wat woest is, is wild of niet netjes = ruig ¨ Herman houdt
van de woeste natuur van Canada
[ENGL: savage]
wenken
wen·ken [wenkte, heeft gewenkt]
met een gebaar vragen om dichterbij te komen [iemand wenkt
iemand] ¨ ze wenkte de kinderen die op het plein speelden
de wenk [wenken]
1 een beweging met je handen, je hoofd of je ogen om iemand iets
duidelijk te maken ¨ met een wenk liet ze hem weten dat hij moest
komen
2 een advies; een manier om iemand te laten weten wat hij of zij
moet doen = de tip ¨ ze gaf hem enige wenken voor het gebruik
van het instrument
[ENGL: beckon]
weergave
de weer·ga·ve [weergaven]
de manier waarop iets weergegeven* wordt ¨ dat is geen juiste
weergave van de feiten
[ENGL: view]
waanzin
de waan·zin
1 een ziekte van je geest waarbij je dingen denkt die niet waar zijn
¨ de patiënt leed aan waanzin en dacht dat hij Napoleon was
2 grote onzin ¨ de politieke partij noemde de plannen van de
regering waanzin
[ENGL: frenzy]
voorzetsel
het voor·zet·sel [voorzetsels]
een woord dat de betrekking tussen twee woorden in een zin laat
zien, bijv. de plaats of de tijd ¨ in de zinnen ‘het boek ligt op tafel’
en ‘hij antwoordt op mijn vraag’ is ‘op’ een voorzetsel
[ENGL: preposition]
voorafgaand
voor·af·gaand [bijvoeglijk naamwoord]
iets dat voorafgaand is aan iets anders, is daarvóór gebeurd ¨
voorafgaand aan de reis was er een informatiemiddag
[ENGL: prior]
voldoen aan
· vol·doen [voldeed, heeft voldaan]
1 voldoende zijn; beantwoorden aan iets [iemand voldoet (aan iets,
bijv. aan eisen of wensen)] ¨ de nieuwe medewerker voldeed niet
aan de verwachtingen van de chef
2 betalen [iemand voldoet een bedrag, een rekening] ¨ u hoeft het
bedrag niet in één keer te voldoen
[ENGL: meet]
vochtig
voch·tig [bijvoeglijk naamwoord]
vochtige dingen zijn een beetje nat ¨ gisteren heeft het zo hard
geregend dat mijn jas nu nog vochtig is
[ENGL: moist]
vloeken
vloe·ken [vloekte, heeft gevloekt]
1 woorden zeggen waarin de naam van God voorkomt als je boos
bent [iemand vloekt] ¨ hij begon meteen te vloeken toen hij zag
dat zijn fiets weg was
2 niet goed bij elkaar passen [kleuren vloeken] ¨ die roze trui
vloekt bij je rode broek
de vloek [vloeken]
1 een woord waarin de naam van God voorkomt en dat je gebruikt
als je boos bent
2 een woord of een zin waarin je God vraagt om iets vervelends te
laten gebeuren met iemand of iets ¨ er rust een vloek op dat huis
[ENGL: curse]
vlo
de vlo [vlooien]
een insect dat springt en dat leeft van het bloed van mensen en
dieren ¨ de kat had last van vlooien
[ENGL: flea]
verte
de · ver·te [verten, vertes]
een punt dat ver weg ligt ¨ in de verte zagen we een huisje
[ENGL: distance]
verscholen
zich ver·schui·len [verschool zich, heeft zich verscholen]
zorgen dat je niet zichtbaar bent = zich verbergen [iemand
verschuilt zich ergens] ¨ omdat hij zijn vriendin wilde verrassen,
verschool hij zich achter de bank
[ENGL: hidden]
verrukt over
ver·rukt [bijvoeglijk naamwoord]
iemand die verrukt is van iets of over iets, vindt het heel goed of
mooi ¨ iedereen is verrukt van de tentoonstelling over Rotterdam
[ENGL: smitten with]
verrekenen
zich ver·oor·lo·ven [veroorloofde zich, heeft zich veroorloofd]
de vrijheid nemen om iets te doen [iemand veroorlooft zich iets]
je iets kunnen veroorloven: genoeg geld hebben om iets te
kunnen doen ¨ de buren kunnen het zich veroorloven om drie
keer per jaar op vakantie te gaan
[ENGL: settle]
veroorloven
zich ver·oor·lo·ven [veroorloofde zich, heeft zich veroorloofd]
de vrijheid nemen om iets te doen [iemand veroorlooft zich iets]
je iets kunnen veroorloven: genoeg geld hebben om iets te
kunnen doen ¨ de buren kunnen het zich veroorloven om drie
keer per jaar op vakantie te gaan
[ENGL: afford]
verontschuldiging
de ver·ont·schul·di·ging [verontschuldigingen]
een uitspraak waaruit blijkt dat iets je spijt = het excuus ¨ heeft hij
zijn verontschuldigingen aangeboden?
[ENGL: apology]
verontrust
ver·ont·rus·ten [verontrustte, heeft verontrust]
bang maken [iets verontrust iemand] ¨ de berichten over de
situatie in Argentinië verontrusten me
[ENGL: troubled]
vermenigvuldigen
ver·me·nig·vul·di·gen [vermenigvuldigde, heeft
vermenigvuldigd]
1 meer van iets maken [iemand vermenigvuldigt iets] ¨ de chef
vroeg zijn assistent de brief te vermenigvuldigen
2 het ene getal net zo vaak bij zichzelf optellen als door het andere
getal genoemd wordt [iemand vermenigvuldigt een getal met een
ander getal] ¨ als je 4 en 6 met elkaar vermenigvuldigt, krijg je 24
zich ver·me·nig·vul·di·gen [vermenigvuldigde zich, heeft
zich vermenigvuldigd]
sterk in aantal toenemen [iets vermenigvuldigt zich] ¨ het aantal
winkels in dit dorp heeft zich de afgelopen jaren vermenigvuldigd
[ENGL: multiply]
vermelding
de ver·mel·ding [vermeldingen]
de keer dat iemand of iets vermeld wordt ¨ omdat ze zulke goede
prestaties had geleverd, kreeg ze een bijzondere vermelding
[ENGL: entry]
vergissing
de ver·gis·sing [vergissingen]
een fout die je maakt omdat je niet goed nadenkt ¨ in haar werk
hebben vergissingen enorme gevolgen
[ENGL: error]
veelal
veel·al [bijwoord] (formeel)
meestal = vaak ¨ Lydia begint veelal al om acht uur met werken
[ENGL: often]
vastgoed
het vast·goed
gebouwen en land ¨ hij is rijk geworden met de handel in
vastgoed
[ENGL: Property]
uitleg
de uit·leg
de woorden waarmee je iets uitlegt ¨ de directeur van het
museum gaf uitleg over de nieuwe tentoonstelling
· uit·leg·gen [legde uit, heeft uitgelegd]
1 vertellen zodat iemand iets gaat begrijpen = verklaren [iemand
legt iets uit (aan iemand)] ¨ de professor kan de ingewikkelde
theorie heel duidelijk uitleggen ¨ Astrid legde aan de kinderen
uit waarom Sinterklaas niet kon komen
2 op een bepaalde manier begrijpen [iemand legt iets op een
bepaalde manier uit] ¨ de politie legde zijn gedrag verkeerd uit
[ENGL: explanation]
uiterste
het ui·ter·ste [uitersten]
iets wat niet verder kan ¨ de opdracht heeft het uiterste van de
studenten gevraagd
tot het uiterste gaan: alles doen wat mogelijk is
· ui·terst1 [bijvoeglijk naamwoord]
1 heel erg; heel groot ¨ in uiterste spanning wachtte het publiek
op het eind van de wedstrijd
2 laatst; meest verwijderd of ver ¨ de uiterste datum waarop u kunt
reageren, is 17 januari
in het uiterste geval: als er geen andere oplossing meer is
· ui·terst2 [bijwoord]
zeer; erg = uitermate ¨ zij is altijd uiterst precies in haar werk
[ENGL: extreme]
tweevoudig
twee·vou·dig [bijvoeglijk naamwoord]
een tweevoudig kampioen is twee keer kampioen geworden in iets
[ENGL: twofold]
tucht
de tucht
de situatie dat mensen streng gestraft worden voor alles wat ze fout
doen ¨ toen hij in het leger was, had hij moeite met de tucht en
de discipline
[ENGL: disciplinary]
trui
de · trui [truien]
een zacht en warm kledingstuk voor je bovenlichaam en je armen
[ENGL: sweater]
troeven
de troef [troeven]
1 een belangrijke kaart bij het kaartspel
2 iets dat een grote kans geeft op een goed resultaat ¨ de nieuwe
lijsttrekker is de troef van de politieke partij
3 het is armoe troef: er is erg weinig geld ¨ toen ik na tien jaar
weer in Limerick kwam, was het er nog steeds armoe troef
[ENGL: assets]
toveren
to·ve·ren [toverde, heeft getoverd]
op een geheime manier dingen in de natuur veranderen [iemand
tovert (iets)] ¨ Harry Potter toverde een bord met soep op tafel
iets te voorschijn toveren: zorgen dat iets er opeens is
[ENGL: conjure]
toestemming
de · toe·stem·ming
het feit dat iets mag = de goedkeuring ¨ ze kregen geen
toestemming om een huis te laten bouwen
[ENGL: permission]
toestel
het · toe·stel [toestellen]
1 een voorwerp dat uit verschillende onderdelen bestaat en
waarmee je iets kunt doen of kunt maken = het apparaat ¨ Evert
maakte foto's met zijn nieuwe toestel
2 het vliegtuig ¨ het toestel kwam twee uur te laat aan
[ENGL: unit]
toeslag
de toe·slag [toeslagen]
een bedrag dat je extra moet betalen voor iets speciaals ¨ ze
betaalde een toeslag om met een snellere trein te kunnen reizen
[ENGL: surcharge]
tenzij
ten·zij [voegwoord]
behalve als ¨ hij komt morgen, tenzij hij moet werken
[ENGL: unless]
tenminste
· ten·min·ste [bijwoord]
dit woord gebruik je om iets dat je eerder gezegd hebt preciezer te
maken = althans ¨ vanavond gaan we bij onze zoon op bezoek,
als hij dat tenminste leuk vindt
[ENGL: least]
temmen
tem·men [temde, heeft getemd]
1 een wild dier laten wennen aan mensen; zorgen dat een wild dier
doet wat jij wilt [iemand temt een wild dier]
2 zorgen dat je de baas wordt over mensen of zaken = bedwingen
[iemand temt iets of iemand] ¨ het lukte de leider niet om de boze
menigte te temmen
[ENGL: tame]
telen
te·len [teelde, heeft geteeld]
laten groeien = kweken [iemand teelt groenten, bloemen of
vruchten] ¨ vroeger teelde hij aardappelen, maar tegenwoordig
heeft hij koeien
[ENGL: grow]
teisteren
teis·te·ren [teisterde, heeft geteisterd]
veel last veroorzaken [iets teistert iemand of iets]
[ENGL: ravage]
tegenwoordig
· te·gen·woor·dig1 [bijvoeglijk naamwoord]
huidig; van nu ¨ de tegenwoordige directeur werkt veel harder dan
de vorige
· te·gen·woor·dig2 [bijwoord]
in deze tijd; nu ¨ tegenwoordig gaan mensen vier keer per jaar op
vakantie
[ENGL: today, present]
tegenhouden
te·gen·hou·den [hield tegen, heeft tegengehouden]
zorgen dat iemand of iets niet verder gaat of niet begint = stoppen
[iemand houdt iemand of iets tegen] ¨ het overleg kon de oorlog
niet tegenhouden
[ENGL: stop]
tegemoetkoming
de te·ge·moet·ko·ming [tegemoetkomingen]
een bedrag waarmee je een deel van de kosten kunt betalen ¨
toen ze in Mechelen ging werken, kreeg ze een tegemoetkoming
in de reiskosten
[ENGL: allowance]
tamelijk
· ta·me·lijk [bijwoord]
nogal = redelijk ¨ het bedrijf eindigde het jaar met een tamelijk
grote winst
[ENGL: fairly]
sufferd
de suf·ferd [sufferds]
iemand die dom is = de oen ¨ sufferd, nu ben je alweer je sleutels
vergeten!
[ENGL: dullard]
stikken
stik·ken [stikte]
1 [is gestikt] sterven door gebrek aan lucht [iemand stikt] ¨ in de
rook zijn drie mensen gestikt
2 [heeft gestikt] met een naaimachine vastmaken [iemand stikt iets]
¨ ze stikte de band op haar jas
[ENGL: choke]
steiger
de stei·ger [steigers]
1 een houten constructie aan de kant van het water, waaraan boten
vastgemaakt kunnen worden ¨ ze liep over de steiger naar de boot
2 een hoge constructie van palen en planken waarop arbeiders
aan gebouwen werken ¨ het huis staat in de steigers, omdat het
geschilderd wordt
stei·ge·ren [steigerde, heeft gesteigerd]
1 de voorste benen allebei optillen [paarden steigeren]
2 boos protesteren [iemand begint te steigeren] ¨ de zangeres
begon te steigeren toen ze de onzin las die de bladen over haar
schreven
[ENGL: scaffold]
stedelijk
ste·de·lijk [bijvoeglijk naamwoord]
stedelijke dingen hebben te maken met een stad ¨ het stedelijk
gebied in België wordt steeds groter
[ENGL: urban]
souterrain
het sou·ter·rain [souterrains]
een verdieping van een huis, die half onder de grond ligt en waar je
kunt wonen
[ENGL: basement]
snoer
het snoer [snoeren]
1 een rij dingetjes die met een draad aan elkaar vast zitten ¨ de
vrouw droeg een snoer met echte parels
2 een dikke draad waar elektrische stroom doorheen loopt ¨ het
snoer van de lamp was te kort
snoe·ren [snoerde, heeft gesnoerd]
iemand de mond snoeren: zorgen dat iemand niet verder kan
praten ¨ toen ze merkte dat hij haar geheim wilde bekendmaken,
snoerde ze hem snel de mond
[ENGL: cord]
smeden
sme·den [smeedde, heeft gesmeed]
1 metaal in een bepaalde vorm brengen door verhitting en door
ertegen te slaan [iemand smeedt metaal]
2 bedenken [iemand smeedt iets, bijv. een plan of een complot] ¨
er zijn plannen gesmeed om het systeem totaal te veranderen
de smid [smeden]
iemand die voor zijn beroep ijzer en metalen smeedt* (bet. 1) ¨ de
zilversmid ¨ de smid maakte nieuwe hoefijzers voor het paard
[ENGL: forging]
slecht
· slecht [bijvoeglijk naamwoord]
niet goed ¨ hij heeft thuis een slechte computer ¨ veel eten is
slecht voor de gezondheid ¨ je bent toch nog geen slecht mens
als je een keer iets verkeerds doet?
slech·ten [slechtte, heeft geslecht]
zorgen dat iets verdwijnt; weghalen [iemand slecht een muur] ¨ in
dat boek wordt de muur tussen wetenschappers en het gewone
publiek geslecht
[ENGL: bad]
schutten
schut [zelfstandig naamwoord]
voor schut staan: een belachelijke indruk maken ¨ de regering
stond voor schut toen de twee ministers dagelijks ruzie maakten
[ENGL: pound/ bang]
schuin
schuin [bijvoeglijk naamwoord]
1 iets wat schuin is, gaat niet recht van boven naar beneden of van
links naar rechts ¨ ze heeft een kamer onder het schuine dak ¨
hij zat schuin tegenover mij in de trein
2 een schuine mop: een grap over seks
[ENGL: oblique]
schijn
de schijn
1 iets wat zo lijkt te zijn, maar niet zo is ¨ de man lijkt heel rustig,
maar dat is schijn
de schijn tegen hebben: een ongunstige indruk maken ¨ ik weet
niet zeker of het de schuld is van Diederik, maar hij heeft in elk
geval de schijn tegen
2 geen schijn van kans hebben: geen enkele mogelijkheid
hebben op succes ¨ de man heeft in de verkiezingen geen schijn
van kans
3 de schijn ophouden: doen alsof het mooier is dan het echt is ¨
ze hielden de schijn op dat ze een goed huwelijk hadden
4 het heeft er alle schijn van: het is heel waarschijnlijk ¨ het
heeft er alle schijn van dat de brand is aangestoken
· schij·nen [scheen, heeft geschenen]
1 licht geven [iets, bijv. de zon, schijnt] ¨ de lamp van de auto
scheen in zijn gezicht
2 een bepaalde indruk geven terwijl je niet weet of die klopt
[iemand of iets schijnt zo te zijn] ¨ het schijnt gezonder te zijn om
rijst te eten dan aardappels
[ENGL: appearance]
scheppen
· schep·pen
1 [schepte, heeft geschept] met een schep* (bet. 1) of een ander
voorwerp verplaatsen [iemand schept iets] ¨ het kind schepte
zand in een emmertje ¨ ze schepte het eten op haar bord
2 [schiep, heeft geschapen] maken; doen ontstaan = creëren
[iemand schept iets] ¨ God schiep de wereld in zes dagen ¨ de
overheid wilde meer banen scheppen
3 [schiep, heeft geschapen] veroorzaken [iemand of iets schept
iets] ¨ de zachte muziek schept een rustige sfeer op kantoor
4 vreugde of behagen scheppen in iets: genieten van iets ¨ zij
schept veel plezier in het werken in de tuin
de schep [scheppen]
1 een voorwerp dat bestaat uit een stok met daaraan een ijzeren
blad, waarmee je kunt scheppen (bet. 1)
2 de hoeveelheid van een stof die op een schep (bet. 1) past ¨ de
vrouw deed twee schepjes suiker in haar koffie
er een schepje bovenop doen: iets nog erger maken ¨ toen de
werknemer kritiek van zijn baas kreeg, deed een collega er nog
een schepje bovenop
[ENGL: create]
scharen
de scha·re [scharen]
een grote groep mensen = de menigte ¨ hij werd gevolgd door
een grote schare leerlingen
de schaar [scharen]
een voorwerp met twee scherpe bladen die je over elkaar laat
schuiven om bijv. papier te knippen
[ENGL: scissors]
ruiten
de ruit [ruiten]
1 het glas in een raam = het raam ¨ de ruiten van de auto waren
kapot
2 een vierkant dat gevormd wordt door lijnen van boven naar
beneden en van links naar rechts ¨ hij droeg een broek met
Schotse ruiten
[ENGL: diamonds]
ruis
de ruis
1 een ruisend* geluid in bijv. een radio waardoor je de muziek niet
meer goed hoort
2 dingen er niet horen te zijn en die een resultaat onduidelijk maken
rui·sen [ruiste, heeft geruist]
een laag geluid dat de hele tijd blijft doorgaan = suizen [iets ruist] ¨
de wind ruist door de bomen ¨ hoor je het ruisen van de golven?
[ENGL: noise]
ruil
de ruil [ruilen]
de keer dat iets geruild* wordt ¨ het lijkt mij een goede ruil dat ik
jouw fiets krijg en jij de mijne
rui·len [ruilde, heeft geruild]
iets geven en er iets anders voor terugkrijgen [iemand ruilt (iets)] ¨
de broek was te klein, maar ik kon hem nog ruilen bij de winkel ¨
zullen we van plaats ruilen, dan kan ik het beter zien
[ENGL: exchange]
rotzooi
de rot·zooi
1 de situatie waarin alles door elkaar ligt en het niet netjes is = de
troep = de rommel ¨ als Marcel heeft gekookt, is het altijd een
rotzooi in de keuken
2 (informeel) dingen die niet nuttig zijn of van slechte kwaliteit zijn ¨
hij wilde een goede computer, en geen rotzooi
[ENGL: shit, chaos]
zootje
het zoot·je [geen meervoud] (informeel)
1 een bepaalde hoeveelheid = de zooi ¨ ik heb een zootje boeken
voor je
2 een heleboel dingen die door elkaar liggen = de bende = de
rommel = de troep = de zooi ¨ het was een zootje in de kamer
[ENGL: mess]
wijziging
de wij·zi·ging [wijzigingen]
de verandering ¨ de Tweede Kamer heeft de wijzigingen in de wet
niet goedgekeurd
[ENGL: change]
wethouder
de wet·hou·der [wethouders]
iemand die lid is van het bestuur van een gemeente ¨ de
burgemeester en wethouders vergaderden over de nieuwe
plannen
[ENGL: alderman]
wellicht
· wel·licht [bijwoord]
misschien wel; mogelijk ¨ wellicht wilt u een kopje koffie?
[ENGL: perhaps]
voorwenden
voor·wen·den [wendde voor, heeft voorgewend]
doen alsof iets werkelijk zo is, terwijl dat niet waar is [iemand wendt
iets voor] ¨ ze wendde een ziekte voor, omdat ze geen zin had
om naar het feest te gaan
[ENGL: pretend]
voorheen
· voor·heen [bijwoord]
in het verleden = vroeger ¨ er worden minder boeken verkocht
dan voorheen
[ENGL: previously]
vooraf
voor·af [bijwoord]
eerder dan iets anders « achteraf ¨ we beginnen vandaag met
hoofdstuk drie, maar vooraf wil ik nog iets uitleggen
[ENGL: advance]
vonnis
het von·nis [vonnissen]
een uitspraak van de rechter waarin hij of zij beslist wat voor straf
iemand krijgt ¨ de verdachte luisterde naar het vonnis van de
rechter
[ENGL: verdict]
volledig
· vol·le·dig [bijvoeglijk naamwoord]
als iets volledig is, ontbreekt er niets = totaal = geheel = absoluut ¨
mijn vrouw heeft volledige rust nodig
[ENGL: full]
verzet
het · ver·zet1 [geen meervoud]
gedrag waarmee je probeert te voorkomen dat er iets gebeurt wat
je niet wilt = de tegenstand ¨ het verzet tegen de plannen van de
minister was groot
ver·zet2 zie verzetten
· ver·zet·ten [verzette, heeft verzet]
op een andere plaats zetten = verplaatsen [iemand verzet iets] ¨ er
waren drie sterke mannen nodig om de kast te verzetten
veel werk verzetten: veel werk doen ¨ we moeten nog veel werk
verzetten voordat de opdracht af is
zich · ver·zet·ten [verzette zich, heeft zich verzet]
proberen te voorkomen dat er iets gebeurt wat je niet wilt [iemand
verzet zich (tegen iets of iemand)] ¨ de bevolking verzette zich
tegen de regering
[ENGL: resistance]
verzameling
de ver·za·me·ling [verzamelingen]
het geheel van dingen die iemand verzameld (bet. 1) heeft = de
collectie ¨ hij liet mij zijn verzameling boeken zien
[ENGL: Collection]
verzamelen
· ver·za·me·len [verzamelde, heeft verzameld]
1 bij elkaar brengen [iemand verzamelt dingen] ¨ hij verzamelt
petten van de politie uit verschillende landen
2 bij elkaar komen [mensen verzamelen] ¨ hoe laat moeten we
morgen verzamelen?
[ENGL: collection]
vervoeren
ver·voe·ren [vervoerde, heeft vervoerd]
van de ene plaats naar de andere brengen = transporteren [iemand
vervoert iemand of iets] ¨ ik weet niet hoe ik dit grote pak naar
huis moet vervoeren
[ENGL: transport]
verstandig
· ver·stan·dig [bijvoeglijk naamwoord]
verstandige mensen denken goed na voordat ze iets doen = wijs
« onverstandig ¨ het is verstandig om gezond te eten en veel te
bewegen
[ENGL: wise]
verslagen
ver·sla·gen1 [bijvoeglijk naamwoord]
als je verslagen bent, ben je erg somber doordat je iets vervelends
hebt meegemaakt = ontredderd ¨ na de vervelende boodschap
van de directeur bleven de medewerkers verslagen achter
ver·sla·gen2 zie verslaan
ver·slaan [versloeg, heeft verslagen]
1 van iemand winnen [iemand verslaat een tegenstander] ¨ het
leger versloeg de vijand
2 voor de krant, de radio of de televisie beschrijven [iemand
verslaat een gebeurtenis] ¨ de journalist versloeg de
gebeurtenissen in Engeland voor de televisie
het ver·slag [verslagen]
een bericht of een verhaal over een toestand of een gebeurtenis =
het rapport ¨ de kinderen schreven een verslag over hun vakantie
[ENGL: Reports]
verpleegster
de ver·pleeg·ster [verpleegsters]
een vrouw die zieken verpleegt voor haar beroep
[ENGL: nurse]
vernietigen
ver·nie·ti·gen [vernietigde, heeft vernietigd]
zo kapotmaken dat er niets meer van overblijft [iets of iemand
vernietigt iets] ¨ de drugs zijn door de politie vernietigd
[ENGL: destroy]
vernielen
ver·nie·len [vernielde, heeft vernield]
kapotmaken [iemand of iets vernielt iets] ¨ door de storm zijn er
veel ramen vernield
[ENGL: destroy]
vergoeding
de ver·goe·ding [vergoedingen]
geld dat je krijgt voor iets wat je hebt gedaan
[ENGL: compensation]
vergen
ver·gen [vergde, heeft gevergd]
beslist nodig hebben; eisen [iets of iemand vergt veel of weinig
(van iemand)] ¨ ze is ziek want het werk heeft te veel van haar
gevergd
[ENGL: require]
verbond
het ver·bond [verbonden]
1 een officiële overeenkomst, vooral tussen landen
2 een groep personen die hetzelfde doel hebben ¨ er is een
verbond van organisaties die het milieu willen beschermen
· ver·bin·den [verbond, heeft verbonden]
1 verband om iets doen [iemand verbindt een wond of een
lichaamsdeel] ¨ nadat het meisje gevallen was, verbond de
dokter haar been
2 zorgen dat ze met elkaar te maken hebben; zorgen dat ze bij
elkaar komen = relateren [iemand verbindt twee of meer zaken of
mensen] ¨ een brug over de rivier verbindt de twee gebieden met
elkaar ¨ na hun scheiding bleven ze door de kinderen met elkaar
verbonden
verkeerd verbonden zijn: bij het telefoneren het verkeerde
nummer gedraaid hebben
[ENGL: covenant]
venijnig
ve·nij·nig [bijvoeglijk naamwoord]
iemand die venijnig is, is boos en gemeen ¨ ze gaf hem een
venijnige klap
[ENGL: venomous]
vanwaar
van·waar [bijwoord]
om welke reden = waarom ¨ vanwaar dit beleid van de regering?
[ENGL: whence]
uitschrijven
uit·schrij·ven [schreef uit, heeft uitgeschreven]
1 bekendmaken dat iets zal gaan gebeuren [iemand schrijft iets uit]
¨ toen het kabinet was gevallen, werden er nieuwe verkiezingen
uitgeschreven
2 invullen; opschrijven [iemand schrijft een recept of een bekeuring
uit] ¨ de dokter schreef een recept voor medicijnen uit
[ENGL: write]
uitputten
uit·put·ten [putte uit, heeft uitgeput]
1 leeg maken [iemand put iets uit] ¨ de mogelijke oplossingen
zijn eigenlijk uitgeput ¨ de grond raakte uitgeput
2 moe maken [iets put iemand uit] ¨ ze is uitgeput door het harde
werken
[ENGL: deplete]
uitdagend
uit·da·gend [bijvoeglijk naamwoord]
1 uitdagende kleren zijn bedoeld om mensen te verleiden tot
seksueel contact
2 met een uitdagende opmerking probeer je een reactie te krijgen
[ENGL: defiant]
tikkeltje
het tik·kel·tje
een beetje ¨ hij deed een tikkeltje vreemd
[ENGL: tad]
strikken
strik·ken [strikte, heeft gestrikt]
1 vastmaken met een knoop die je makkelijk kunt losmaken
[iemand strikt iets, bijv. een veter]
2 met mooie woorden of op een slimme manier zorgen dat iemand
iets voor jou gaat doen [iemand strikt iemand (voor iets)] ¨ we
hebben Johan gestrikt voor het verzorgen van de drankjes op het
feest
de strik [strikken]
1 een knoop in een touw of een lint die je makkelijk kunt losmaken
2 een metalen draad of een klem om kleine dieren te vangen
[ENGL: snare]
stof
het · stof1
het grijze poeder dat dingen bedekt als er lang niet is
schoongemaakt ¨ er lag een dikke laag stof op de oude boeken
iets doet veel stof opwaaien: iets veroorzaakt veel discussie
de · stof2 [stoffen]
1 materiaal dat bestaat uit draden en waarvan men kleding,
gordijnen enz. maakt = het textiel ¨ de broek was gemaakt van
dikke blauwe stof
2 een soort massa, gas of vloeistof met bepaalde eigenschappen
¨ lucht bestaat uit een aantal verschillende stoffen
3 [geen meervoud] het onderwerp ¨ de stof voor het examen
stond in een dik boek
lang van stof zijn: lang praten ¨ Tine is altijd erg lang van stof
[ENGL: dust]
stellig
· stel·lig [bijvoeglijk naamwoord]
als iemand een stellige mening heeft, is hij of zij er heel zeker van
¨ hij beweerde heel stellig dat hij niets gezien had
[ENGL: certainly]
staaf
de staaf [staven]
een lang en dun voorwerp ¨ de man had zijn vrouw met een
ijzeren staaf op haar hoofd geslagen
af·staan [stond af, heeft afgestaan]
iets van jezelf aan iemand anders geven [iemand staat iets af (aan
iemand)] ¨ de patiënt moest bloed afstaan voor een onderzoek
[ENGL: bar]
spitsuur
het spits·uur [spitsuren]
de tijd op de dag dat het heel druk is in het verkeer, vooral 's
morgens tussen 7.00 en 9.00 uur en 's avonds tussen 17.00 en
19.00 uur
[ENGL: peak hour]
spieken bij
spie·ken [spiekte, heeft gespiekt]
tijdens een examen in het geheim in een boek of bij een ander
kijken voor de antwoorden = afkijken [iemand spiekt] ¨ de tafels
stonden ver uit elkaar zodat de leerlingen niet konden spieken
[ENGL: peek]
snakken
snak·ken naar [snakte naar, heeft gesnakt naar]
sterk verlangen naar iets [iemand snakt naar iets] ¨ ik snak naar
een sigaret!
naar adem snakken: naar lucht happen ¨ toen hij boven water
kwam, snakte hij naar adem
[ENGL: pant]
smal
· smal [bijvoeglijk naamwoord]
iets wat smal is, heeft een kleine afmeting vergeleken bij hoe lang
het is « breed ¨ na ongeveer honderd meter ga je rechts een
smal weggetje in
[ENGL: narrow]
slepen
sle·pen1 [sleepte, heeft gesleept]
1 iets over de grond laten schuiven door eraan te trekken [iemand
sleept iets] ¨ toen de auto het niet meer deed, moest hij gesleept
worden
iets in de wacht slepen: iets met moeite krijgen ¨ Iwan sleepte
met zijn nieuwe film drie prijzen in de wacht
iemand ergens doorheen slepen: iemand helpen iets tot een
goed einde te brengen ¨ maak je maar geen zorgen over het
examen: ik sleep je er wel doorheen
2 over de grond schuiven [iets sleept] ¨ haar rok was zo lang dat
hij over de grond sleepte
sle·pen2 zie slijpen
de sleep [slepen]
een deel van een jurk dat over de grond sleept* (bet. 2) ¨ toen de
prinses trouwde, werd de sleep van haar jurk gedragen door acht
meisjes
slij·pen [sleep, heeft geslepen]
1 scherp maken [iemand slijpt bijv. een mes of een potlood] ¨ hij
sleep het mes voordat hij het vlees sneed
2 een vlak gladmaken door er snel langs te bewegen met iets
hards [iemand slijpt iets, bijv. een edelsteen of een brillenglas]
[ENGL: drag]
slaken
sla·ken [slaakte, heeft geslaakt]
een bepaald geluid maken [iemand slaakt een kreet, een gil of een
zucht] ¨ ze slaakte een gil toen ze hoorde dat ze gewonnen had
[ENGL: heave]
slak
de slak [slakken]
een diertje dat heel langzaam vooruitgaat
op alle slakken zout leggen: zelfs op de kleinste details kritiek
hebben ¨ ik wil u vragen om uw commentaar te beperken tot de
hoofdpunten en niet op alle slakken zout te leggen
[ENGL: snail]
slaaf
de slaaf [slaven] sla·vin [slavinnen]
1 iemand die eigendom is van iemand anders en niet over zijn of
haar eigen leven mag beslissen ¨ in de 17e eeuw zijn er veel
mensen uit Afrika als slaaf naar Amerika gebracht
2 iemand die altijd precies doet wat hem of haar wordt gezegd ¨
de moderne werknemer is een slaaf van de computer geworden
af·slaan [sloeg af]
1 [is afgeslagen] in een andere richting gaan [iemand slaat af] ¨ na
honderd meter moet je naar rechts afslaan
2 [is afgeslagen] ophouden te functioneren [een motor slaat af]
3 [heeft afgeslagen] niet aannemen [iemand slaat iets wat
aangeboden wordt af] ¨ ik sla een stukje taart niet af
[ENGL: slave]
schot
het · schot
1 [schoten] de keer dat je schiet ¨ de agent hoorde een schot en
rende erheen ¨ het was een prachtig schot, maar de bal ging
over het doel
buiten schot blijven: zorgen dat je niet in moeilijkheden komt ¨
de ambtenaar probeerde buiten schot te blijven door te wijzen op
de fouten van anderen
dat is een schot in de roos: dat is precies de goede opmerking
of handeling
2 [schotten] een houten muurtje dat je ergens kunt neerzetten ¨ de
koeien en de paarden staan in één stal, gescheiden door een
schot
3 er zit schot in iets: er begint een oplossing te komen ¨
eindelijk zit er schot in het onderzoek naar de moord
[ENGL: shot]
ruit
de ruit [ruiten]
1 het glas in een raam = het raam ¨ de ruiten van de auto waren
kapot
2 een vierkant dat gevormd wordt door lijnen van boven naar
beneden en van links naar rechts ¨ hij droeg een broek met
Schotse ruiten
[ENGL: diamond]
reeds
· reeds [bijwoord] (formeel)
eerder dan verwacht = al ¨ heeft u mijn brief reeds ontvangen?
[ENGL: already]
rechtstreeks
recht·streeks [bijvoeglijk naamwoord]
1 iets wat rechtstreeks gebeurt, gebeurt via de kortste, snelste weg
= direct ¨ is er een rechtstreekse treinverbinding tussen Brussel
en Gent?
2 een rechtstreeks radio- of tv-programma wordt op hetzelfde
moment opgenomen en uitgezonden = live ¨ omdat het een
rechtstreeks programma is, kunnen er dingen fout gaan
[ENGL: directly]
prul
het prul [prullen]
iets dat niet veel waard is ¨ de man vond zelf dat hij iets moois
had geschilderd, maar zijn vrouw vond het een prul
[ENGL: dud]
plakken
plak·ken [plakte, heeft geplakt]
1 met lijm of een andere kleefstof zorgen dat iets niet makkelijk los
kan komen [iemand plakt iets (op iets)] ¨ het jongetje plakte de
figuurtjes op het papier
2 door lijm of een andere kleefstof vast blijven zitten = kleven [iets
plakt] ¨ de foto bleef niet plakken en viel op de grond
3 ergens blijven plakken: ergens langer blijven dan je van plan
was
de plak [plakken]
1 een dun stuk van iets dat je kunt eten ¨ hij deed een plakje kaas
op zijn brood
onder de plak zitten: iemand anders de baas over je laten zijn
2 [geen meervoud] een laagje op je tanden, waarvan je gaatjes
kunt krijgen
3 (informeel) een rond metalen plaatje, als teken dat je een prijs
hebt gewonnen ¨ de zwemmer heeft op de Olympische Spelen
een gouden plak gewonnen
[ENGL: paste]
piepen
pie·pen [piepte, heeft gepiept]
1 een hoog geluid maken dat klinkt als ‘piep’ [iets of iemand piept]
¨ de deur piept ¨ een muis piept
2 bang of boos reageren terwijl dat niet nodig is = zich aanstellen
[iemand piept] ¨ hij begint meteen te piepen als hij bloed ziet
3 nog net te zien zijn [iets piept onder iets uit] ¨ er piepte een stuk
trui onder haar jas uit
4 het is zo gepiept: het is snel gedaan
[ENGL: squeak]
paal
de · paal [palen]
een stok die bedoeld is om rechtop in de grond te staan ¨ het huis
is op palen gebouwd
paal en perk stellen aan iets: iets beperken ¨ de gemeente wil
met krachtige maatregelen paal en perk stellen aan de misdaad
in de stad
dat staat als een paal boven water: dat is zeker ¨ het staat als
een paal boven water dat de man geen schuld heeft aan het
ongeluk
[ENGL: pole]
opzicht
het · op·zicht
1 in dat opzicht: wat dat betreft; op dat punt ¨ de broers zijn
allebei erg nieuwsgierig; in dat opzicht lijken ze op elkaar
2 ten opzichte van ...: vergeleken met ... ¨ de winst is dit jaar met
45 procent gedaald ten opzichte van het vorige jaar
[ENGL: respect]
opsturen
op·stu·ren [stuurde op, heeft opgestuurd]
met de post versturen [iemand stuurt iets op (aan iemand)] ¨ ik
kan je dat artikel wel even opsturen
[ENGL: send]
oproep
de op·roep [oproepen]
een officiële vraag om iets te gaan doen ¨ alle Nederlanders
kregen een oproep om te gaan stemmen
op·roe·pen [riep op, heeft opgeroepen]
1 met nadruk vragen iets te doen [iemand roept mensen op (tot
iets)] ¨ de politie heeft de inwoners van de stad opgeroepen om
binnen te blijven
2 gevoelens omhoog laten komen [iets of iemand roept gevoelens
op (bij iemand)] ¨ de foto's van de oorlog riepen veel verdriet op
[ENGL: Call]
ontwerp
het ont·werp [ontwerpen]
een tekening van hoe iets eruit moet gaan zien = de schets ¨ ik
heb slechts een ontwerp gezien, maar ik denk dat het nieuwe
kantoor prachtig wordt
ont·wer·pen [ontwierp, heeft ontworpen]
bedenken en tekenen hoe iets eruit gaat zien [iemand ontwerpt een
gebouw, kleren enz.] ¨ de Sagrada Família in Barcelona is
ontworpen door Gaudí
[ENGL: Design]
ongedwongen
on·ge·dwon·gen [bijvoeglijk naamwoord]
een ongedwongen sfeer is een vrije, open en losse sfeer ¨ de
voorzitter vertelde op de vergadering heel ongedwongen wat hij
had meegemaakt
[ENGL: unconstrained]
onderweg
on·der·weg [bijwoord]
tijdens de reis of de tocht ¨ als hij onderweg is, luistert hij altijd
naar muziek
[ENGL: en route]
noodzakelijk
· nood·za·ke·lijk [bijvoeglijk naamwoord]
iets wat noodzakelijk is, is dringend nodig = onmisbaar ¨ goed
slapen is noodzakelijk voor een goede gezondheid
[ENGL: necessary]
nijpend
nij·pend [bijvoeglijk naamwoord]
een nijpend probleem is een groot probleem dat snel opgelost
moet worden ¨ in veel landen in Afrika is een nijpend gebrek aan
water
[ENGL: pressing]
manie
de ma·nie [manies]
iemand die een manie heeft, is zo fel met iets bezig dat hij of zij
ziek lijkt ¨ het is een manie van haar om heel harde muziek te
draaien
[ENGL: mania]
mand
de mand [manden]
een voorwerp waarin je dingen mee kunt dragen, gemaakt van bijv.
riet of plastic
door de mand vallen: als iemand door de mand valt, wordt
duidelijk dat hij of zij niet eerlijk is
[ENGL: basket]
luid
· luid [bijvoeglijk naamwoord]
iets wat luid is, kun je goed horen = hard ¨ we hebben veel last
van de luide muziek bij de buren
· lui·den [luidde, heeft geluid]
1 laten klinken [iemand luidt een klok]
2 klinken [een klok luidt] ¨ bij hun huwelijk luidden de klokken wel
een kwartier
3 ... zijn; ... klinken [een bericht of boodschap luidt ...] ¨ het juiste
antwoord luidt: 1903
[ENGL: loud]
knellen
knel·len [knelde, heeft gekneld]
te strak zitten [iets knelt] ¨ Dirk moet minder eten, want zijn
broeken beginnen te knellen
de knel
in de knel zitten: problemen hebben; niet meer weten wat je moet
doen ¨ door alle maatregelen zitten veel boeren nu in de knel
[ENGL: pinch]
klaarkomen
klaar·ko·men [kwam klaar, is klaargekomen]
seksueel bevredigd worden [iemand komt klaar]
[ENGL: Ejaculation]
jaloers
ja·loers [bijvoeglijk naamwoord]
1 iemand die jaloers is, wil iets hebben wat iemand anders heeft =
afgunstig ¨ het meisje was jaloers omdat de andere kinderen wel
mee mochten, en zij niet
2 iemand die jaloers is, heeft een naar gevoel omdat de persoon
met wie hij of zij een relatie heeft, belangstelling heeft voor iemand
anders
[ENGL: jealous]
instellen
· in·stel·len [stelde in, heeft ingesteld]
1 oprichten [iemand stelt iets in] ¨ er is een commissie ingesteld
om het onderzoek voor te bereiden
2 klaarmaken voor gebruik [iemand stelt een apparaat in] ¨ hij was
erg blij dat het bedrijf zijn computer goed had ingesteld
[ENGL: Setting]
innen
in·nen [inde, heeft geïnd]
zorgen dat je het geld krijgt dat iemand je moet betalen =
incasseren [iemand int geld] ¨ de vrouw zat bij de wc om het geld
te innen
[ENGL: collect]
illuster
il·lus·ter [bijvoeglijk naamwoord] (formeel)
illustere mensen of zaken zijn heel bekend en heel goed =
beroemd ¨ er stond een hele rij illustere namen op het
programma
[ENGL: illustrious]
huisvesting
de huis·ves·ting
een plek om te wonen ¨ de student zocht huisvesting in de stad
waar hij studeerde
[ENGL: housing]
hoera
hoe·ra [tussenwerpsel]
een woord dat je roept als je blij bent ¨ hoera, we hebben
gewonnen!
[ENGL: hurray]
hekel
de he·kel
een hekel hebben aan iemand of iets: iemand of iets heel
vervelend vinden ¨ hij heeft een enorme hekel aan druk verkeer
he·ke·len [hekelde, heeft gehekeld]
een erg negatief oordeel geven over iemand of iets = bekritiseren
[iemand hekelt iemand of iets] ¨ in het artikel werd het beleid van
het kabinet gehekeld
[ENGL: dislike]
haken
ha·ken [haakte, heeft gehaakt]
1 maken met een haaknaald en een draad [iemand haakt (iets,
bijv. een trui)]
2 blijven haken aan iets: vast blijven zitten aan iets dat uitsteekt
¨ hij bleef met zijn trui aan de deurknop haken
de haak [haken]
1 een gebogen stokje van metaal, hout, plastic enz. waaraan je iets
kunt hangen ¨ hang je jas maar op de haak naast de deur
daar zitten veel haken en ogen aan: dat is moeilijker dan je zou
verwachten
iemand aan de haak slaan: een liefdesrelatie met iemand krijgen
2 het is niet in de haak: het is niet goed; er klopt iets niet
[ENGL: hooks]
groep
de · groep [groepen]
1 een aantal mensen, dieren of dingen die bij elkaar horen ¨ zij is
vorig jaar met een groep op vakantie geweest
2 (in Nederland) elk van de acht klassen van de basisschool ¨ hun
zoontje zit in groep drie
[ENGL: group]
groenten
de · groen·te [groenten, groentes]
planten of delen van planten die je kunt eten ¨ welke groente eten
we vanavond?
[ENGL: vegetables]
gloei-
gloei·en [gloeide, heeft gegloeid]
door vuur heel warm zijn en licht geven [iets gloeit]
[ENGL: incandescent]
gist
de gist
zacht, wit spul dat zorgt dat er bij het bakken lucht in brood komt,
zodat het hoger wordt
gis·sen [giste, heeft gegist]
een antwoord geven terwijl je het eigenlijk niet weet = raden
[iemand gist (naar iets)] ¨ naar de oorzaak van het ongeluk
kunnen we alleen maar gissen
[ENGL: yeast]
gillen
gil·len [gilde, heeft gegild]
1 schreeuwen met een hoog geluid [iemand gilt] ¨ toen de bus in
de sloot reed, begonnen de reizigers te gillen
2 hard lachen [iemand gilt (om iets)]
de gil [gillen]
een hoog en hard geluid met je stem = de schreeuw = de kreet ¨
uit de kelder klonk plotseling een harde gil
een gil geven: iemand waarschuwen ¨ geef even een gil als je
klaar bent
[ENGL: scream]
gieten
gie·ten [goot, heeft gegoten]
1 in een stroom uit een beker, een emmer enz. laten komen
[iemand giet een vloeistof in of over iets] ¨ wil jij water op de koffie
gieten?
2 in vloeibare toestand in een vorm doen en hard laten worden
[iemand giet iets] ¨ het gieten van ijzer wordt voor het eerst
genoemd in een boek uit de 14e eeuw
3 hard regenen [het giet]
[ENGL: casting]
gezin
het · ge·zin [gezinnen]
een of meer ouders met een of meer kinderen ¨ ze komt uit een
groot gezin, met vier broers en vier zussen
[ENGL: family]
gevaarte
het ge·vaar·te [gevaarten, gevaartes]
iets dat heel groot is ¨ het schip is een enorm gevaarte met
plaats voor vijfduizend mensen
[ENGL: colossus]
geur
geu·ren [geurde, heeft gegeurd]
een bepaalde geur geven [iets geurt] ¨ ze had heerlijk geurende
bloemen gekocht voor haar vriend
de · geur [geuren]
iets wat je ruikt ¨ ik houd van de geur van vers brood
[ENGL: fragrance]
genot
het ge·not
iets waarvan je geniet = het genoegen ¨ het is altijd een genot om
je stem te horen
[ENGL: enjoyment]
genezen
ge·ne·zen [genas]
1 [heeft genezen] beter maken [iemand geneest een zieke (van
iets)] ¨ geen enkele arts kon haar genezen van haar bijzondere
ziekte
2 [is genezen] beter worden [iemand of iets geneest] ¨ jonge
mensen genezen vaak sneller dan oude mensen
[ENGL: cure]
gemis
het ge·mis
het ontbreken van iets dat je nodig hebt ¨ het vertrek van de
directeur is een groot gemis voor het bedrijf
[ENGL: lack]
gelasten
ge·las·ten [gelastte, heeft gelast]
de opdracht geven om iets te doen = opdragen = bevelen [iemand
gelast iemand iets te doen] ¨ Franssen gelastte zijn werknemers
de plannen geheim te houden
[ENGL: order]
geil
geil [bijvoeglijk naamwoord]
een geile persoon is seksueel opgewonden
[ENGL: horny]
geheim
het · ge·heim1 [geheimen]
iets dat niemand mag weten ¨ het was een geheim dat Hans en
Marjolein zouden trouwen in Italië ¨ wat is het geheim van zijn
succes?
de geheime dienst: de groep mensen die voor de regering van
een land dingen moeten uitzoeken die niemand mag weten
· ge·heim2 [bijvoeglijk naamwoord]
iets wat geheim is, mag niemand weten « openbaar ¨ na een
geheim overleg kwam de minister met een verklaring
[ENGL: secret]
garnaal
de gar·naal [garnalen]
een klein dier dat in zee leeft met een harde buitenkant
[ENGL: shrimp]
enigszins
· enigs·zins [bijwoord]
een beetje ¨ zij was enigszins verbaasd toen ze het nieuws hoorde
[ENGL: somewhat]
ellendig
el·len·dig [bijvoeglijk naamwoord]
iets wat ellendig is, is heel naar en vervelend ¨ de mensen
leefden in ellendige omstandigheden
[ENGL: miserable]
dusdanig
dus·da·nig [bijwoord]
in die mate; zo = zodanig ¨ ik was dusdanig moe dat ik meteen
sliep
[ENGL: such]
dooier
de dooi·er [dooiers]
het gele gedeelte binnen in een ei = het eigeel
[ENGL: yolk]
dalen
· da·len [daalde, is gedaald]
1 naar beneden gaan « stijgen [iets daalt] ¨ iedere drie minuten
daalt er een vliegtuig
2 minder waard worden = zakken « stijgen [waarden, prijzen
dalen] ¨ de euro daalt ¨ de rente is met 0,6 procent gedaald
het · dal [dalen]
een lage plaats tussen bergen of heuvels ¨ het dal was zo smal
dat er geen ruimte was voor een weg
pieken en dalen: betere en slechtere resultaten
door een diep dal gaan: het een tijd heel moeilijk hebben
uit het dal klimmen: na een moeilijke tijd weer sterker worden ¨
het bedrijf is na jaren van slechte resultaten uit het dal
geklommen
[ENGL: fall]
daarmee
daar·mee [bijwoord]
daar- ¨ ze heeft een hond en daarmee moet ze iedere dag een
uur wandelen
[ENGL: thus]
botten
het bot1 [botten]
een hard deel van je lichaam = het been ¨ het drinken van melk is
goed voor je botten
de bot2 [botten]
een platte vis
bot vangen: ‘nee’ als antwoord krijgen, terwijl je ‘ja’ wilt horen ¨
toen ze een uitgever zocht voor haar boek, ving ze steeds bot
bot3 [bijvoeglijk naamwoord]
1 een mes dat bot is, is niet scherp = stomp
2 iemand die bot is, is helemaal niet vriendelijk ¨ hij werd op een
botte manier behandeld in de winkel
[ENGL: bones]
boeiend
boei·end [bijvoeglijk naamwoord]
interessant ¨ de man vertelde boeiende verhalen
[ENGL: fascinating]
beweegreden
de be·weeg·re·den [beweegredenen]
een reden waarom je iets doet = de drijfveer = het motief ¨ wat zijn
haar beweegredenen om zo'n goede baan te weigeren?
[ENGL: motive]
bevestigen
be·ves·ti·gen [bevestigde, heeft bevestigd]
1 vastmaken [iemand bevestigt iets] ¨ hiermee kunt u de lamp
aan de muur bevestigen
2 zeggen dat iets waar is « ontkennen [iemand bevestigt iets] ¨
de minister wilde het verhaal van de journalist niet bevestigen
3 iemand officieel een ambt geven [iemand bevestigt iemand in
een ambt] ¨ zondag wordt de nieuwe dominee bevestigd
[ENGL: Confirm]
besteden
· be·ste·den aan [besteedde aan, heeft besteed aan]
uitgeven; gebruiken = spenderen [iemand besteedt geld of tijd aan
iets] ¨ zij besteedt veel tijd aan het verzorgen van haar vader
[ENGL: spend]
beschikking
de be·schik·king
het besluit ¨ volgens een beschikking van de rechter moest hij €
3000,- betalen
[ENGL: Decision]
bepalen
· be·pa·len [bepaalde, heeft bepaald]
precies vaststellen; beslissen [iemand of iets bepaalt iets] ¨ de
voorzitter bepaalde wat er in de vergadering besproken werd ¨
met dit instrument wordt bepaald hoeveel alcohol iemand
gedronken heeft
[ENGL: determine]
beleven
· be·le·ven [beleefde, heeft beleefd]
meemaken = ondervinden = ervaren [iemand beleeft iets] ¨ de
soldaten beleefden verschrikkelijke dingen ¨ we hebben tijdens
de vakantie veel beleefd
[ENGL: see]
belabberd
be·lab·berd [bijvoeglijk naamwoord] (informeel)
iets wat belabberd is, is erg slecht = beroerd ¨ Tarek heeft
belabberd gevoetbald, want hij miste elke bal
[ENGL: wretched]
aldus
· al·dus [bijwoord] (formeel)
1 om aan te geven wie de woorden gezegd heeft ¨ het bedrijf
maakt veel winst, aldus de directeur
2 op die manier = zo ¨ zo is het besloten en aldus gebeurde het
ook
[ENGL: so]
afkomen
· af·ko·men [kwam af, is afgekomen] (in België)
op bezoek komen [iemand komt af] ¨ als je morgen thuis bent,
kom ik eens af!
· af·ko·men op [kwam af op, is afgekomen op]
komen in de richting van iemand of iets [iemand komt op iemand of
iets af] ¨ ik schrok toen ik al die paarden op mij af zag komen
· af·ko·men van [kwam af van, is afgekomen van]
zorgen dat iets er niet meer is = kwijtraken [iemand komt van iets
af] ¨ hoe kom ik van die pijn in mijn arm af?
[ENGL: come]
afgerond
af·ron·den [rondde af, heeft afgerond]
1 op een goede manier een einde maken aan iets = afsluiten
[iemand rondt iets af, bijv. een gesprek] ¨ Peter rondde zijn
verhaal af met een paar woorden van dank
2 groter of kleiner maken tot een makkelijk bedrag [iemand rondt
een getal of een bedrag af] ¨ als je 2,08 euro naar boven afrondt,
krijg je 2,10 euro
[ENGL: completed]
afgelasten
af·ge·las·ten [gelastte af, heeft afgelast]
beslissen dat iets niet doorgaat [iemand gelast iets af] ¨ vanwege
de regen werden alle wedstrijden afgelast
[ENGL: call off]
achteruit
· ach·ter·uit [bijwoord]
naar achteren « vooruit ¨ de auto reed een klein stukje achteruit
[ENGL: reverse]
aanwerven
aan·wer·ven [wierf aan, heeft aangeworven] (in België)
aannemen in een bepaald werk of in een bepaalde baan [iemand
werft iemand aan] ¨ de stad Brussel werft nieuwe medewerkers
aan
[ENGL: recruit]
aanvragen
· aan·vra·gen [vroeg aan, heeft aangevraagd]
vragen om iets te krijgen [iemand vraagt iets aan] ¨ u kunt gratis
informatie aanvragen bij postbus 51
de aan·vraag [aanvragen]
een vraag om iets te krijgen = het verzoek ¨ de vereniging heeft
een aanvraag voor subsidie gedaan
[ENGL: Applications]
aanvaarden
· aan·vaar·den [aanvaardde, heeft aanvaard]
1 zich niet verzetten = accepteren [iemand aanvaardt iets] ¨ mijn
collega's aanvaarden dat ik soms een sigaret rook
2 beginnen [iemand aanvaardt een reis, een tocht enz.] ¨ toen
alles goed geregeld was, aanvaardden we onze reis
3 (formeel) ontvangen; aannemen = accepteren [iemand aanvaardt
iets] ¨ de koningin aanvaardde het cadeau van de buitenlandse
gast
[ENGL: accept]
aanslaan
aan·slaan [sloeg aan, is aangeslagen]
1 aardig, leuk of goed gevonden worden [iets slaat aan] ¨ ik weet
zeker dat het programma ook in Amerika zal aanslaan
2 starten; beginnen te draaien of lopen « afslaan [een motor slaat
aan]
[ENGL: strike]
aanklagen
aan·kla·gen [klaagde aan, heeft aangeklaagd]
de schuld geven; bij de rechter klagen over iemand [iemand klaagt
iemand aan]
[ENGL: accuse]
aanhoudend
aan·hou·dend [bijvoeglijk naamwoord]
voortdurend ¨ door de aanhoudende regen stegen de rivieren
[ENGL: persistent]
aanhalen
aan·ha·len [haalde aan, heeft aangehaald]
1 strakker maken = aantrekken [iemand haalt iets aan] ¨ hij wil de
banden met zijn oude vrienden weer aanhalen
2 met de hand over iemand strijken = strelen [iemand haalt iemand
aan] ¨ ze haalde haar vriendje aan toen hij verdrietig was
3 zeggen wat iemand anders eerder zei = citeren [iemand haalt
iemands woorden aan] ¨ de journalist haalde de woorden van de
minister aan
[ENGL: quote]
aangifte
de aan·gif·te [aangiften, aangiftes]
de keer dat je iets aangeeft* (bet. 3) ¨ toen zijn fiets was gestolen,
deed hij aangifte bij de politie
[ENGL: declaration]
aangeschoten
aan·ge·scho·ten [bijvoeglijk naamwoord]
een aangeschoten persoon heeft een beetje te veel wijn, bier enz.
gedronken
[ENGL: tipsy]
aandeelhouder
de aan·deel·hou·der [aandeelhouders]
aan·deel·houd·ster [aandeelhoudsters]
iemand die een aandeel of aandelen bezit ¨ de aandeelhouders
verwachten dat het bedrijf winst gaat maken
[ENGL: shareholder]
hoedanigheid
de hoe·da·nig·heid [hoedanigheden]
de functie; de rol ¨ het kind vond het raar om zijn vader opeens in
de hoedanigheid van leraar mee te maken
[ENGL: capacity]
gloed
de gloed
de kleuren en de warmte die bij vuur horen ¨ in de verte zagen we
de rode gloed van een brand
[ENGL: glow]
gewest
het ge·west [gewesten]
1 een deel van een land ¨ hij is voorzitter geworden van het
gewest Utrecht/Noord-Holland
2 (in België) elk van de drie gebieden waarin België op grond van
de wetten die in dat gebied gelden, wordt ingedeeld
[ENGL: region]
gelukwens
ge·luk·wen·sen [wenste geluk, heeft gelukgewenst]
tegen iemand zeggen dat je iets heel leuk vindt voor hem of haar =
feliciteren [iemand wenst iemand geluk (met iets)] ¨ zijn vrienden
wensten hem geluk met zijn nieuwe baan
[ENGL: congratulation]
galm
de galm [galmen]
1 het verschijnsel dat geluid via bijv. muren terugkomt ¨ door de
galm in de zaal konden de mensen niet goed horen wat de
voorzitter zei
2 een vol geluid dat je op grote afstand kunt horen
gal·men [galmde, heeft gegalmd]
1 hol klinken [een ruimte galmt] ¨ omdat het galmde in de kerk,
konden we de pastoor nauwelijks verstaan
2 hard en zwaar klinken [iemand of iets galmt] ¨ de naam van de
voetballer galmde door het stadion
3 op een overdreven manier zingen [iemand galmt (een lied)] ¨ de
kinderen zaten in de bus allerlei liedjes te galmen
[ENGL: resonance]
fortuin
het for·tuin [fortuinen]
een grote hoeveelheid geld ¨ hij heeft in vijf jaar het fortuin van
zijn vader opgemaakt
[ENGL: fortune]
erg
· erg1 [zelfstandig naamwoord]
geen erg in iets hebben: niet merken dat iets gebeurt ¨ ze had
er geen erg in dat haar kind naar buiten liep
· erg2 [bijvoeglijk naamwoord]
1 zeer; heel = ontzettend ¨ ik ben erg blij met dit cadeau
2 vervelend; naar = akelig ¨ wat erg voor je dat je naar het
ziekenhuis moet
[ENGL: very]
energiek
ener·giek [bijvoeglijk naamwoord]
iemand die energiek is, heeft veel energie* (bet. 1) ¨ hij was in de
vakantie zo energiek dat hij iedere dag een lange wandeling
maakte
[ENGL: energetic]
deskundig
des·kun·dig [bijvoeglijk naamwoord]
een deskundige persoon weet veel over een onderwerp ¨ hij is
deskundig op het gebied van elektrische apparaten
[ENGL: expert]
daarom
· daar·om [bijwoord]
1 om die reden ¨ hij was jarig en daarom nodigde hij al zijn
vrienden uit
2 daar- ¨ hij kijkt zo grappig en daar moet ik om lachen
[ENGL: Therefore]
broeikas
de broei·kas [broeikassen]
een grote kast van glas voor planten
[ENGL: greenhouse]
bijna
· bij·na [bijwoord]
net niet helemaal; haast = vrijwel ¨ het was maart en de winter was
bijna voorbij
[ENGL: almost]
bijhouden
bij·hou·den [hield bij, heeft bijgehouden]
1 even snel zijn; niet achterblijven [iemand houdt iemand of iets bij]
¨ de fietsers konden de auto niet bijhouden
2 zorgen dat iets op het goede niveau blijft [iemand houdt iets bij,
bijv. zijn vak] ¨ vroeger speelde ik fluit, maar ik houd het nu niet
meer bij ¨ Jantine houdt een dagboek bij
[ENGL: keep up]
berekend
be·re·kend op [bijvoeglijk naamwoord]
iets dat berekend is op iets, is daarvoor geschikt ¨ de zaal die we
gehuurd hebben voor het feest, is berekend op honderd personen
be·re·ke·nen [berekende, heeft berekend]
1 weten hoeveel iets is door te rekenen; de hoogte vaststellen =
becijferen [iemand berekent iets] ¨ ze berekenden nauwkeurig
hoeveel personeel er moest verdwijnen
2 als prijs vragen = rekenen [iemand berekent iets (aan iemand)] ¨
voor het schilderen van de garage berekende hij honderd euro
[ENGL: calculated]
bereid
· be·reid1 [bijvoeglijk naamwoord]
als je bereid bent om iets te doen, heb je geen bezwaren om het te
doen ¨ een paar jongens waren bereid te helpen met verhuizen
be·reid2 zie bereiden
· be·reid tot [bijvoeglijk naamwoord]
iemand die bereid is tot iets, wil dat wel doen ¨ ik ben niet bereid
alles alleen te doen
be·rei·den [bereidde, heeft bereid]
eten zo maken dat het gegeten kan worden = klaarmaken [iemand
bereidt eten] ¨ Astrid had een heerlijke Italiaanse maaltijd bereid
[ENGL: prepared]
beneden
· be·ne·den1 [bijwoord]
op een plaats die lager is « boven ¨ als je hier beneden staat,
lijkt de berg niet zo hoog ¨ Ron gaat elke ochtend zachtjes naar
beneden om de kinderen niet wakker te maken
· be·ne·den2 [voorzetsel]
onder; lager dan « boven ¨ mensen die over het zuiden van
Nederland praten, noemen dat soms ‘beneden de grote rivieren’
[ENGL: down]
aanvallen
aan·val·len [viel aan, heeft aangevallen]
een actie uitvoeren om voordeel te krijgen, waar iemand anders
nadeel van heeft = attaqueren [iemand valt iemand of iets aan] ¨
België en Nederland zijn in 1940 aangevallen door Duitsland
de aan·val [aanvallen]
1 een actie om voordeel te krijgen, waar iemand anders nadeel
van heeft = het offensief ¨ na een laatste aanval eindigde de
wedstrijd in 3-0
2 een korte, hevige periode waarin je last hebt van iets ¨ tijdens
de les kreeg ze een aanval van slaap
aan·val·len op [viel aan op, heeft aangevallen op]
kritiek geven [iemand valt iemand aan op iets] ¨ de directeur is
tijdens de vergadering aangevallen op zijn financiële beleid
[ENGL: attacks]
aantreden
aan·tre·den [trad aan, is aangetreden]
verschijnen; ergens komen [iemand treedt aan] ¨ de soldaten
moesten om vijf uur in de ochtend aantreden
[ENGL: office]
aanbevolen
aan·be·vo·len zie aanbevelen
aan·be·ve·len [beval aan, heeft aanbevolen]
zeggen dat iets of iemand erg goed of nuttig is = aanraden
[iemand beveelt iets of iemand aan] ¨ ik kan je dit restaurant
aanbevelen; het eten is er heerlijk
[ENGL: recommended]
zwichten
zwich·ten [zwichtte, is gezwicht]
toegeven aan iets of iemand; iets doen wat je eigenlijk niet wilde
doen [iemand zwicht (voor iets of iemand)] ¨ eerst wilde ze niet
meedoen, maar uiteindelijk is ze gezwicht ¨ ik ben gezwicht voor
een paar prachtige nieuwe schoenen
[ENGL: yield]
zuur
het zuur1 [zuren]
een chemische stof ¨ het zuur uit de accu van een auto is een
gevaarlijke stof
· zuur2 [bijvoeglijk naamwoord]
1 zure dingen, bijv. citroenen, hebben een smaak waarvan je mond
samentrekt « zoet ¨ vind je deze appels zuur?
2 niet aangenaam; vervelend ¨ toen de vergadering te lang
duurde, maakte de voorzitter een zure opmerking
[ENGL: acid]
zogen
zo·gen zie zuigen
zui·gen [zoog, heeft gezogen]
1 naar zich toe halen door lucht naar binnen te halen [iemand of iets
zuigt iets (ergens uit of in)] ¨ de wandelaar zoog de frisse lucht
naar binnen ¨ de baby zoog de melk uit de fles
2 iets in je mond nemen en er met je mond een trekkende
beweging aan maken [iemand zuigt op of aan iets] ¨ het kind zoog
op een snoepje ¨ de man zoog aan zijn pijp
3 schoonmaken met een elektrisch apparaat waarmee je stof en
kleine dingetjes van de vloer verwijdert = stofzuigen [iemand zuigt
(iets)]
[ENGL: suckle]
zoenen
zoe·nen [zoende, heeft gezoend]
een zoen* geven [iemand zoent iemand] ¨ toen ze jarig was, werd
ze door iedereen gezoend
de zoen [zoenen]
een groet of een liefkozing met de lippen = de kus ¨ hij gaf zijn
vrouw een zoen en ging weg
[ENGL: kiss]
zeuren
zeu·ren [zeurde, heeft gezeurd]
op een vervelende manier steeds over iets klagen of om iets
vragen [iemand zeurt (over iets)] ¨ het kind zeurde om snoep ¨ de
man kan uren zeuren over zijn buren
[ENGL: nag]
wetten
de · wet [wetten]
de officiële regels van een land over wat wel en niet mag ¨ mag je
een kind slaan volgens de wet? ¨ de wet is nog niet officieel
aangenomen
[ENGL: Laws]
vrijpostig
vrij·pos·tig [bijvoeglijk naamwoord]
vrijpostige mensen durven dingen te zeggen en te doen die
eigenlijk niet horen = brutaal
[ENGL: bold]
voorwerp
het · voor·werp [voorwerpen]
het ding = het object ¨ in het museum liggen voorwerpen die
5000 jaar oud zijn
[ENGL: object]
voldaan
vol·daan1 [bijvoeglijk naamwoord]
als je voldaan bent, ben je tevreden ¨ hij had een voldaan gevoel
over deze dag
vol·daan2 zie voldoen
· vol·doen [voldeed, heeft voldaan]
1 voldoende zijn; beantwoorden aan iets [iemand voldoet (aan iets,
bijv. aan eisen of wensen)] ¨ de nieuwe medewerker voldeed niet
aan de verwachtingen van de chef
2 betalen [iemand voldoet een bedrag, een rekening] ¨ u hoeft het
bedrag niet in één keer te voldoen
[ENGL: met]
voertuig
het voer·tuig [voertuigen]
een middel waarmee je mensen of dingen over land van de ene
plaats naar de andere kunt brengen, bijv. een auto of een fiets ¨ hij
moest wachten met oversteken tot alle voertuigen voorbij waren
[ENGL: Vehicle]
vlakken
het · vlak1 [vlakken]
1 de platte kant van een voorwerp ¨ een doos heeft zes vlakken
2 een gebied van kennis of wetenschap = het terrein = het gebied
¨ hij is goed op het technische vlak
· vlak2 [bijvoeglijk naamwoord]
1 vlakke dingen zijn plat = effen ¨ Nederland is een vlak land
2 als iets vlak is, zit er niet veel gevoel in of is het steeds hetzelfde
¨ haar stem klonk vlak
· vlak3 [bijwoord]
zonder tijd of ruimte ertussen ¨ vlak voor de vakantie werd ik ziek
¨ ze kon de auto vlak voor de winkel parkeren
[ENGL: planes]
vinden
· vin·den [vond, heeft gevonden]
1 door te zoeken krijgen of toevallig krijgen [iemand vindt iets of
iemand] ¨ na lang zoeken heeft Geert zijn sleutels gevonden ¨ ik
heb een baan als leraar gevonden ¨ de jongen vond tien euro op
straat
2 een bepaalde mening hebben over iemand of iets [iemand vindt
iets (van iemand of iets)] ¨ ik vind het vervelend dat ik geen werk
heb ¨ wat vindt u van de nieuwe president?
3 krijgen; meemaken [iets of iemand vindt iets] ¨ de schrijver kon
niet de rust vinden om verder te werken ¨ de voorzitter vond
bijval voor zijn voorstel
4 het goed kunnen vinden met iemand: goed met iemand
kunnen omgaan ¨ de twee broers kunnen het goed met elkaar
vinden
5 je kunnen vinden in iets: iets goedvinden ¨ het personeel kon
zich niet vinden in de plannen van de directeur
[ENGL: find]
vervoer
het · ver·voer
de middelen waarmee mensen en dingen vervoerd* kunnen
worden ¨ ze wil morgen naar Antwerpen, maar ze heeft nog geen
vervoer
het openbaar vervoer: de vervoermiddelen die voor iedereen
zijn, zoals de trein, de bus, de tram enz.
ver·voe·ren [vervoerde, heeft vervoerd]
van de ene plaats naar de andere brengen = transporteren [iemand
vervoert iemand of iets] ¨ ik weet niet hoe ik dit grote pak naar
huis moet vervoeren
[ENGL: Transport]
vervelen
· ver·ve·len [verveelde, heeft verveeld]
niet leuk zijn; de aandacht niet kunnen vasthouden [iemand of iets
verveelt iemand] ¨ het boek verveelt me, dus ik stop met lezen
zich · ver·ve·len [verveelde zich, heeft zich verveeld]
niet weten wat je moet doen [iemand verveelt zich] ¨ de kinderen
verveelden zich in de vakantie
[ENGL: bore]
verschillende
ver·schil·len·de [onbepaald voornaamwoord]
meer dan één = verscheidene ¨ er kwamen verschillende
vrienden op bezoek toen ik in het ziekenhuis lag
· ver·schil·lend [bijvoeglijk naamwoord]
mensen of zaken die verschillend zijn, zijn op een bepaald punt
anders ¨ hoewel Daan en Chris broers zijn, zijn het twee heel
verschillende jongens
[ENGL: different]
vastberaden
vast·be·ra·den [bijvoeglijk naamwoord]
iemand die vastberaden is, heeft geen twijfels = gedecideerd ¨
vastberaden liep ze naar de directeur
[ENGL: determined]
vaag
· vaag [bijvoeglijk naamwoord]
iets wat vaag is, is niet duidelijk = wazig ¨ Monica gaf een vaag
antwoord op de vraag naar haar leeftijd
[ENGL: vague]
tuig
het tuig [tuigen]
1 [geen meervoud] slechte mensen ¨ de bewoners waren bang
voor het tuig uit de buurt
2 de banden en de touwen waaraan een dier een wagen trekt, of
waarin een kind in een wagentje vastzit
[ENGL: rig]
trilling
de tril·ling [trillingen]
een beweging die snel heen en weer gaat ¨ geluid ontstaat
doordat lucht in trilling wordt gebracht
[ENGL: vibration]
toepassing
de · toe·pas·sing [toepassingen]
het gebruik in een bepaalde situatie ¨ dit metaal heeft vele
toepassingen in de elektronische industrie
iets is niet van toepassing: iets hoort niet bij deze situatie ¨ als
u geen hond heeft, schrijft u hieronder: ‘niet van toepassing’
[ENGL: application]
tellen
· tel·len [telde, heeft geteld]
1 getallen op een rij noemen [iemand telt] ¨ ze is pas twee, maar
ze kan al tot twintig tellen
op je tellen passen: goed nadenken voordat je iets doet
2 bepalen hoeveel er zijn [iemand telt mensen, dieren, dingen] ¨ ik
heb ze geteld en er zijn dertig mensen in de bus
3 een waarde hebben = meetellen [iets of iemand telt] ¨ het
doelpunt werd na de wedstrijd gemaakt en daarom telde het niet
[ENGL: count]
tegoed
het te·goed [tegoeden]
geld dat iemand nog aan jou moet betalen of dat je nog kunt
gebruiken ¨ staat er nog een tegoed op deze telefoonkaart?
[ENGL: credit]
teef
de teef [teven]
een vrouwelijke hond
[ENGL: bitch]
sturen
· stu·ren [stuurde, heeft gestuurd]
1 zorgen dat iemand iets krijgt = versturen = zenden [iemand stuurt
een brief, een bericht enz. (aan iemand)] ¨ ze stuurde haar zieke
moeder een brief
2 laten gaan; laten komen [iemand stuurt iemand ergens naartoe]
¨ als je Ahmed ziet, wil je hem dan even naar me toe sturen?
3 de richting bepalen met een stuur* [iemand stuurt (een auto, een
schip enz. ergens naartoe)]
het stuur [sturen]
het deel van een auto of een fiets waarmee je de richting bepaalt ¨
ik heb geleerd dat ik altijd twee handen aan het stuur moet
houden als ik hard rijd
[ENGL: Send]
stuipen
de stuip [stuipen]
een plotselinge samentrekking van je spieren waardoor je buiten
bewustzijn kunt raken
iemand de stuipen op het lijf jagen: iemand erg laten schrikken
[ENGL: convulsions]
stier
de stier [stieren]
een mannelijk rund
de Stier [Stieren]
een sterrenbeeld
[ENGL: bull]
schorsen
schor·sen [schorste, heeft geschorst]
1 voor een tijdje verbieden om een functie uit te oefenen [iemand
schorst iemand] ¨ de voetballer werd voor drie wedstrijden
geschorst
2 voor een tijdje laten stoppen [iemand schorst iets, bijv. een
vergadering] ¨ de voorzitter schorste de vergadering toen
iedereen ruzie ging maken
de schors [schorsen]
de buitenste laag van een boom = de bast
[ENGL: suspend]
schatten
schat·ten [schatte, heeft geschat]
bedenken hoe veel, groot, duur enz. iets is zonder te meten of te
rekenen = ramen [iemand schat iets] ¨ hoe oud schat je mij? ¨
het bedrijf schatte de kosten op € 5000,-
de schat [schatten]
1 een grote hoeveelheid geld of dure voorwerpen
een schat aan ...: heel veel ... ¨ door het onderzoek hebben we
nu een schat aan informatie over de slaap
2 iemand die je erg lief vindt ¨ je bent een schat, dat je op me
gewacht hebt!
[ENGL: estimate]
ruilen
rui·len [ruilde, heeft geruild]
iets geven en er iets anders voor terugkrijgen [iemand ruilt (iets)] ¨
de broek was te klein, maar ik kon hem nog ruilen bij de winkel ¨
zullen we van plaats ruilen, dan kan ik het beter zien
de ruil [ruilen]
de keer dat iets geruild* wordt ¨ het lijkt mij een goede ruil dat ik
jouw fiets krijg en jij de mijne
[ENGL: exchange]
pover
po·ver [bijvoeglijk naamwoord]
povere zaken zijn erg eenvoudig en arm = armzalig = schamel ¨
de resultaten van dit jaar waren erg pover
[ENGL: poor]
poot
de poot [poten]
1 een been van een dier ¨ als een kat valt, komt hij altijd op zijn
pootjes terecht
2 elk van de onderdelen waarop een tafel of een stoel staat ¨
omdat de tafel niet recht stond, legde Martin een plankje onder
een van de poten
3 (informeel) je hand of je voet
iets op poten zetten: iets organiseren ¨ hij heeft een eigen
bedrijf op poten gezet
4 een afdeling van een bedrijf of een organisatie = de tak ¨ alleen
de Franse poot van het bedrijf had winst gemaakt
po·ten [pootte, heeft gepoot]
in de grond zetten [iemand poot planten] ¨ als je deze plant in het
voorjaar poot, krijgt hij in de zomer bloemen
[ENGL: leg]
paraaf
de pa·raaf [parafen]
een handtekening met alleen de eerste letters van de voornaam en
de achternaam ¨ onder aan de brief zette hij zijn paraaf
[ENGL: initials]
opheffen
· op·hef·fen [hief op, heeft opgeheven]
zorgen dat een instelling of organisatie niet meer bestaat [iemand
heft een instelling of organisatie op] ¨ de vereniging heeft bijna
geen leden meer en wordt volgende maand opgeheven
[ENGL: lift]
opgeven
· op·ge·ven [gaf op, heeft opgegeven]
1 niet meer willen of kunnen doorgaan met iets [iemand geeft (iets)
op] ¨ de vijand moest de strijd opgeven ¨ vlak voor het einde
van de wedstrijd werd Olga te moe en moest ze opgeven
2 noemen wat gevraagd wordt [iemand geeft iets op (aan iemand)]
¨ heeft Kim een verkeerd adres opgegeven? ¨ deze bedragen
moet u aan de belasting opgeven
3 zeggen dat je lid wilt worden of dat je iets wilt doen = aanmelden
[iemand geeft iemand op (voor iets)] ¨ ik heb me opgegeven voor
een cursus Spaans
4 denken dat iemand niet meer beter wordt [iemand geeft iemand
op] ¨ de dokter heeft de patiënt opgegeven; hij kan niets meer
voor hem doen
[ENGL: give]
onvoldoende zijn
de on·vol·doen·de1 [onvoldoenden, onvoldoendes]
een slechte prestatie in het onderwijs, vaak uitgedrukt in een cijfer
onder de zes ¨ Dirk had op zijn rapport onvoldoendes voor
Nederlands en voor Engels ¨ de krant gaf de nieuwe minister
een dikke onvoldoende
on·vol·doen·de2 [bijvoeglijk naamwoord]
iets wat onvoldoende is, is niet genoeg of niet goed genoeg ¨ de
partij heeft onvoldoende steun om in de regering te komen ¨ de
gemeente heeft onvoldoende gedaan om de buurt te veiliger te
maken
[ENGL: insufficient]
ongeveer
· on·ge·veer [bijwoord]
dit woord gebruik je als je niet precies kunt zeggen hoe groot of
hoeveel iets is ¨ het meisje slaapt elke nacht ongeveer negen
uur ¨ er wonen ongeveer honderdduizend mensen in de stad
[ENGL: about]
omzet
de om·zet [omzetten]
het geld dat een winkel of een bedrijf ontvangt door producten of
diensten te verkopen ¨ de kapper had een omzet van vijfhonderd
euro per dag
om·zet·ten [zette om, heeft omgezet]
1 verkopen [iemand zet geld of producten om] ¨ de bakker heeft
dit jaar veel meer omgezet dan vorig jaar
2 zo veranderen dat het iets anders wordt = transformeren [iets zet
iets om in iets anders] ¨ het lichaam kan suiker omzetten in
energie
[ENGL: turnover]
nopen
no·pen tot [noopte tot, heeft genoopt tot] (formeel)
dwingen iets te doen [iets of iemand noopt iemand tot iets] ¨ dit
gevaarlijke kruispunt noopt tot goed uitkijken
[ENGL: require]
neuken
neu·ken [neukte, heeft geneukt] (grof)
seks hebben met iemand [iemand neukt ((met) iemand)]
[ENGL: f_ck]
nauwgezet
nauw·ge·zet [bijvoeglijk naamwoord]
iemand die nauwgezet werkt, werkt precies en zorgvuldig =
nauwkeurig
[ENGL: exactly]
morgen
de · mor·gen1
het eerste deel van de dag = de ochtend ¨ hij moet 's morgens
om acht uur opstaan
· mor·gen2 [bijwoord]
de dag na vandaag ¨ vandaag heb ik geen tijd, maar morgen
kom ik bij je
[ENGL: Tomorrow]
moed
de · moed
1 de kracht om te doen wat nodig is, terwijl je misschien bang bent
¨ er was veel moed voor nodig, maar het is gelukt
moed verzamelen: de kracht proberen te krijgen om iets te doen
¨ ze moest heel wat moed verzamelen voordat ze naar binnen
durfde
2 het vertrouwen dat iets goed zal gaan ¨ vol goede moed gingen
ze op reis
[ENGL: courage]
mededeling
de me·de·de·ling [mededelingen]
een boodschap die wordt meegedeeld ¨ we kregen de
mededeling dat de vergadering niet doorgaat
[ENGL: Communication]
mankeren aan
man·ke·ren [mankeerde, heeft gemankeerd]
1 niet helemaal goed zijn [er mankeert iets (aan iets)] ¨ er
mankeert iets aan de computer, want het geluid doet het niet
2 niet gezond zijn; een ziekte hebben [iemand mankeert iets] ¨ ik
mankeer op het ogenblik van alles
[ENGL: fail to]
makker
de mak·ker [makkers]
de vriend = de maat ¨ zijn hond is zijn trouwe makker
mak [bijvoeglijk naamwoord]
makke dieren zijn rustig en niet bang voor mensen
[ENGL: pal, buddy]
kuis
de kuis1 (in België)
het schoonmaken, vooral van je huis = de schoonmaak
kuis2 [bijvoeglijk naamwoord]
iemand die kuis is, is heel netjes op seksueel gebied
kui·sen [kuiste, heeft gekuist] (in België)
zorgen dat iets niet meer vuil is = schoonmaken [iemand kuist iets]
¨ ik heb gisteren de gang, de keuken en de wc gekuist
[ENGL: chaste]
klad
het klad
1 een voorlopige tekst of tekening = het concept ¨ als hij een brief
schrijft, maakt hij altijd eerst een klad
2 de klad zit erin: dit zeg je als iets niet meer regelmatig gebeurt,
wat wel regelmatig zou moeten gebeuren ¨ vorig jaar ging ze elke
week hardlopen, maar nu zit de klad erin
[ENGL: scratch]
kiel
de kiel [kielen]
een punt aan de onderkant van een schip, waardoor het schip
stevig in het water ligt
[ENGL: keel]
karig
ka·rig [bijvoeglijk naamwoord]
een karige maaltijd of een karig loon is niet helemaal genoeg
[ENGL: scanty]
kanjer
de kan·jer [kanjers]
1 iets dat heel groot is in zijn soort = de knoeperd = de joekel ¨
Gerrit had een kanjer van een vis gevangen
2 (informeel) een heel knappe of leuke persoon
[ENGL: whopper]
promoten
pro·mo·ten [promootte, heeft gepromoot]
reclame maken voor iets [iemand promoot iets] ¨ er werd veel
geld besteed aan het promoten van de stad
[ENGL: Promote]
plooien
de plooi [plooien]
een smalle, lange vouw in stof of in huid ¨ het gordijn hing in
mooie plooien omlaag
[ENGL: fold]
opzoeken
· op·zoe·ken [zocht op, heeft opgezocht]
1 zoeken waar je het verwacht [iemand zoekt informatie op] ¨ op
het internet kun je snel opzoeken hoe laat de trein vertrekt
2 bezoeken [iemand zoekt iemand op] ¨ als je in Utrecht bent,
moet je me even opzoeken
[ENGL: Search]
opletten
op·let·ten [lette op, heeft opgelet]
met aandacht kijken en luisteren [iemand let op] ¨ als je tijdens de
les altijd goed oplet, zul je je examen wel halen ¨ toen ik even
niet oplette, reed ik tegen een paal
[ENGL: pay attention]
ongewoon
on·ge·woon [bijvoeglijk naamwoord]
iets wat ongewoon is, komt niet vaak voor = ongebruikelijk «
gewoon ¨ het is heel ongewoon dat er in mei nog sneeuw valt ¨
de minister heeft in ongewoon harde taal kritiek gegeven op haar
collega
[ENGL: unusual]